Hof Amsterdam 24 augustus 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AN7407

Op grond van het beschreven productieproces en de diverse verklaringen wordt als vaststaand aangenomen dat de ingevoerde goederen (kalkoenvlees) niet gekruid, doch slechts gezouten zijn. Op grond daarvan wordt geoordeeld dat de goederen geen bereiding hebben ondergaan, die indeling onder post 1602 van het GDT rechtvaardigt. Bij de afgifte van de BTI's hebben de ambtenaren niet het vertrouwen gewekt dat ook het vlees, waar de onderhavige maandaangiften op zien - zonder voorbehoud en ongeacht het karakter van het vlees - in de post van die BTI's zou worden ingedeeld. De ambtenaren hebben geen vergissing begaan, en het stond hen vrij om - na een warenonderzoek - de posten van de maandaangiften te wijzigen. Naar het oordeel van de Tariefcommissie voldoen de goederen aan de bewoordingen van post 0207 27 10 van het GDT en dienen de goederen derhalve onder die post te worden ingedeeld. In casu is belanghebbende voor de ontstane douaneschuld medeaansprakelijkheid aangezien zij -als opdrachtgever- een leidende rol heeft gespeeld bij de tot standkoming van de foutieve aangifte, die de douane naderhand moest corrigeren. Geoordeeld wordt dat belanghebbende als ervaren marktdeelnemer wist of redelijkwijs had moeten weten dat de door haar aangedragen gegevens niet tot de omstreden tariefpost hadden kunnen leiden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen