Hof Amsterdam 26 augustus 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AN4772
Op grond van de eerste volzin van artikel 868 UCDW kunnen de Lid-Staten bepalen dat bedragen beneden de 10 ECU niet worden geboekt. Deze bepaling is nader uitgewerkt in artikel 57 DB, waarin is bepaald dat de boeking van rechten bij invoer achterwege blijft indien het totaal verschuldigde bedrag niet meer bedraagt dan 10 ECU. De aangifte ten invoer in het vrije verkeer volgens de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, letter c, CDW vindt plaats door de uitslag van de goederen in de administratie in te schrijven en maandelijks bij de douaneambtenaren een aanvullende aangifte in te dienen. Op grond van artikel 76, lid 3, CDW worden de inschrijvingen en de aanvullende aangifte als één enkele en ondeelbare akte aangemerkt, welke geldig is vanaf de datum van de inschrijvingen in de administratie. Van boeking kan in het geval van de onderhavige vereenvoudigde procedure pas sprake zijn nadat de ambtenaren - na ontvangst van de aanvullende aangifte - van de diverse inschrijvingen hebben kennisgenomen. Uit de systematiek van de vereenvoudigde aangifte vloeit voort dat niet elke op de aanvullende aangifte voorkomende inschrijving afzonderlijk wordt geboekt, doch dat één boeking van alle inschrijvingen tezamen plaatsvindt. Deze wijze van boeken is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 218, lid 1, tweede alinea, CDW. Indien vorenomschreven verzameling van bedragen over een vaste periode ertoe leidt dat het totaal verschuldigde bedrag meer bedraagt dan 10 ECU, kan de boeking daarvan, die in één keer moet plaatsvinden, niet achterwege blijven. Dit vloeit voort uit de bewoordingen van artikel 57 DB, waarmee de aan de Lid-Staten in artikel 868 UCDW verleende bevoegdheid niet wordt overschreden, aldus de Tariefcommissie. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de Tariefcommissie geen aanleiding.
De uitspraak op rechtspraak.nl