Hof Amsterdam 21 april 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8184
Belanghebbende emigreert op 1 oktober 1994 naar Zweden. Over de binnenlandse periode krijgt hij een aanslag, waarin de maximumpremie volksverzekeringen is begrepen. Belanghebbende ontvangt na 1 oktober 1994 nog een nabetaling van zijn Nederlandse werkgever. Over de periode 1 oktober - 31 december 1994 wordt per abuis een aanslag opgelegd overeenkomstig het inkomen en de voorheffingen over 1 januari - 1 oktober 1994, echter berekend naar het buitenlandertarief (art. 53b IB 1964). De inspecteur herstelt die fout met een navorderingsaanslag naar het juiste inkomen over de periode 1 oktober - 31 december met toepassing van het binnenlandertarief (art. 53a IB 1964) plus de maximale premieheffing. Hof: Gelet op het EG-arrest Terhoeve mag slechts een maal de maximumpremie worden geheven. Weliswaar behoorde Zweden in 1994 nog niet tot de EG, maar het was toen wel toegetreden tot de EER-Overeenkomst. Omdat art. 28 van de EER-Overeenkomst gelijkluidend is aan art. 48 EG-Verdrag, moet het EG-arrest Terhoeve in casu ook worden toegepast. Het buitenlandertarief mist toepassing (vgl. 'Asscher'). Na vermindering met de premieheffing resteert dan een navorderingsbedrag aan inkomstenbelasting dat lager is dan de onjuist verrekende voorheffingen. De inspecteur mag dat bedrag zonder nieuw feit navorderen.
De uitspraak op rechtspraak.nl