Hof Amsterdam 25 mei 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8155
Het beroep betreft een uitspraak inzake de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in art. 15, eerste lid, Wet Vpb. In geschil is of de voorwaarden 14, 15a, 16, 17 en 20 rechtsgeldig zijn. Het Hof heeft onderzocht of de beschikking van de inspecteur berust op enig beslissing van de Staatssecretaris van Financiën bij het stellen van voorwaarden, die leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing waarop de wetgever met het bepaalde in art. 15 Wet Vpb niet het oog kan hebben gehad. Het Hof heeft de bestreden uitspraak vernietigd voor zover daarbij de voorwaarden 14 en 15a onbeperkt zijn gehandhaafd en bepaald dat deze voorwaarden onverbindend zijn, in zoverre belanghebbende bij de toepassing van die voorwaarden niet in de gelegenheid wordt gesteld tot het leveren van een bepaalde vorm van tegenbewijs. Voor het overige is de bestreden uitspraak bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl