Hof Amsterdam 8 oktober 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7943

Indien een derde als tegenprestatie een deel van de taak van een waterschap uitvoert en voor zijn rekening neemt, behoren die kosten niet tot de kosten van het schap die kunnen worden omgeslagen, maar dat neemt niet weg dat die taak behoort tot de aan het schap opgedragen taken. Alle wel door het schap gemaakte kosten kunnen dan ook worden omgeslagen over het gehele gebied. Het onevenredig voor- of nadeel, bedoeld in art. 120, vijfde lid, Waterschapswet (tekst 1995)is het onevenredig voor- of nadeel dat een voor een onroerende zaak omslagplichtige uit een bepaalde categorie kan hebben ten opzichte van een andere zodanige omslagplichtige uit dezelfde categorie, doordat zij bij eenzelfde heffingsmaatstaf - en daardoor eenzelfde omslag - een verschillende belang kunnen hebben bij de door het waterschap uitgeoefende taak, omdat die taakuitoefening voor de ene onroerende zaak van grotere betekenis is of met hogere kosten gepaard gaat dan voor de andere onroerende zaak, en voorts dat verschillend belang voortvloeit uit de hoedanigheid of ligging van de onroerende zaak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen