Hof Amsterdam 31 juli 1998, ECLI:NL:GHAMS:1998:AK3505
Tegen de achtergrond van de voorgenoemde feiten moet belanghebbendes brief van 2 maart 1993 worden verstaan als een protest tegen de wijze van monsterneming en als een verzoek aan de inspecteur om in het geschil te beslissen als bedoeld in artikel 89, lid 2, van de Wet inzake de douane (WD). De daarop gevolgde "uitspraak" van de inspecteur moet dan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 99, lid 2, WD. Verder laat de omstandigheid dat in casu de verificatie van de aangifte aan de belastingdienst is opgedragen bij artikel 3 van de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981 onverlet dat op die verificatie de bepalingen van de WD van toepassing zijn en dat de Tariefcommissie op grond van de artikelen 108, lid 1, letter c, juncto artikel 109 van de WD (oud) bevoegd is van dit geschil kennis te nemen. Ingevolge artikel 67, lid 1, AWDA, zoals deze bepaling ten tijde van de monsterneming van kracht was, dient aan belanghebbende mededeling te worden gedaan van de uitkomst van de grondige opneming, behoudens in geval die uitkomst overeenstemt met de gedane aangifte of het afgegeven document. Die mededeling stelt belanghebbende in staat op grond van artikel 67, lid 2, AWDA heropneming te vorderen, hetgeen dan volgens lid 4 van artikel 67 binnen 24 uur dient te geschieden. Uit de weergegeven feiten blijkt dat na de eigenlijke weging van de kazen het document voor "conform" is afgetekend. Daarna zijn de kazen weggevoerd. De nadere berekening van het gewicht, waardoor het onderhavige geschil is ontstaan, heeft na die wegvoering plaatsgevonden. Belanghebbende is daarvan niet aanstonds in kennis gesteld, doch heeft een en ander pas via de afrekening van het Produktschap vernomen. Daardoor is belanghebbende niet in staat geweest op adequate wijze van de haar in artikel 67 AWDA toegekende rechten gebruik te maken. Mitsdien is de met waarborgen omklede procedure met betrekking tot de verificatie van goederen niet nageleefd, en kan de uitkomst van het onderzoek niet als grondslag voor het vaststellen van het gewicht van de litigieuze zending kaas worden aanvaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl