Hof Amsterdam 24 februari 1998, ECLI:NL:GHAMS:1998:AJ0499
Belanghebbende, van wie vaststaat dat zij de aangiften te goeder trouw heeft gedaan, heeft naar het oordeel van de Tariefcommissie terecht de vraag opgeworpen of het niet tot de plicht van de douaneautoriteiten behoort om een aangever als de onderhavige - binnen het in casu aanwezige tijdsbestek van ongeveer tien dagen - te waarschuwen voor mogelijke frauderende opdrachtgevers. Indien bedoelde plicht - gelet op alle omstandigheden van het geval - inderdaad aanwezig is, rijst de vraag wat de gevolgen zijn van het achterwege laten van de waarschuwing. Is dan de boeking van de douaneschuld in het geheel onrechtmatig, zodat een navordering niet mogelijk is, of moet slechts van de invordering jegens belanghebbende worden afgezien? De Tariefcommissie zal dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie stellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl