CRvB 28 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:597
Opleggen maatregelen. Tekortschietend besef. Verkoopwaarde woning niet te laag. Ingangsdatum ontheffing arbeidsverplichtingen. Geen procesbelang. Schadevergoeding redelijke termijn. Vaststaat dat appellant de woning onderhands heeft verkocht voor een bedrag van € 241.000,- en dat daarbij is afgesproken dat appellant in de woning kon blijven wonen door die te huren. Dit heeft appellant gedaan omdat een executieverkoop van zijn woning dreigde en hij wilde voorkomen dat hij – met zijn kwetsbare gezondheid en tijdens de coronapandemie – op straat kwam te staan. Onder deze omstandigheden kon van appellant niet worden verlangd dat hij zijn woning in lege staat en vrij van huur en gebruiksrechten zou verkopen zonder dat hij zicht had op een andere woning. Verder kan gelet op het taxatierapport niet worden gezegd dat appellant zijn woning voor een te laag bedrag heeft verkocht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 19 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1254
- CRvB 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635
- CRvB 9 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1896
- CRvB 15 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1500
- CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5098
- CRvB 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3968
- HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540
- CRvB 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:742
- CRvB 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125
- CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009
- CRvB 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264