CRvB 1 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:520
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten in deze zaken rechten of bevoegdheden zodanig evident hebben aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit leidt tot de conclusie dat het appellanten in het geheel niet te doen is geweest om de minister te stimuleren tot het nemen van inhoudelijke besluiten op de door hen ingediende STAP-aanvragen, maar dat zij uitsluitend procederen met het oogmerk om geldsommen te incasseren wegens gesteld niet-tijdig beslissen door de minister. Dit levert misbruik van recht op. De beroepen van appellanten tegen de besluiten van 5 februari 2025 worden, niet-ontvankelijk verklaard in verband met misbruik van recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 3:13 BW3
- Artikel 3:15 BW3
- Artikel 6:24 Awb
- Artikel 1 Wet algemene bepalingen burgerservicenummer
- Artikel 3 Subsidieregeling STAP-budget
- Artikel 5 Subsidieregeling STAP-budget
- Artikel 7 Subsidieregeling STAP-budget
- Artikel 8 Subsidieregeling STAP-budget
- Artikel 10 Subsidieregeling STAP-budget
- Artikel 12 Subsidieregeling STAP-budget
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 10 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:140
- CRvB 10 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:642
- ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2817
- CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307
- ABRvS 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3834
- CRvB 3 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2659
- CRvB 1 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL4270
- CRvB 29 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1113
- CRvB 31 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8198