CRvB 7 oktober 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1342

Toekennen WIA-uitkering aan werkneemster en vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant stelt dat de feitelijke verrichtte werkzaamheden passend zijn. Praktische schatting niet van toepassing. Appellante heeft niet duidelijk kunnen maken welke werkzaamheden werkneemster uitvoerde en in welke omvang. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in navolging van de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat werkneemster ongeschikt is voor de maatgevende arbeid op 16 februari 2023 wegens overschrijding op de aspecten zitten en staan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

25/1011 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 april 2025, 23/3791 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkneemster] te [woonplaats] (werkneemster)
Datum uitspraak: 7 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht werkneemster met ingang van 22 februari 2023 een WIA-uitkering heeft toegekend. Volgens appellante heeft ten onrechte geen praktische schatting plaatsgevonden dan wel is zij geschikt voor haar eigen werk. De Raad volgt deze standpunten niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L.R. Kenens, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

[werkneemster] , werkneemster, heeft als belanghebbende aan de procedure deelgenomen. Mr. C.M.A. Mertens heeft voor werkneemster een reactie ingediend.

Partijen hebben nader nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juli 2026. Voor appellante is mr. A. Rodriguez Galvis, advocaat, verschenen, vergezeld door Y. Feenstra en B.M. Boerwinkel, arbeidsdeskundige. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman. Werkneemster is verschenen, bijgestaan door mr. Mertens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1 Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1 Werkneemster heeft voor het laatst voor appellante gewerkt als Sales Support Key Accounts voor gemiddeld 40,88 uur per week. De arbeidsovereenkomst is per 1 juli 2023 door de kantonrechter ontbonden. Werkneemster werkte vier dagen per week vanuit haar huis te [woonplaats] en een dag per week op kantoor van appellante te [vestigingsplaats] . Op 26 februari 2020 heeft zij zich ziekgemeld voor deze werkzaamheden. Hierna is zij gedeeltelijk hervat. Op 9 augustus 2021 heeft zij zich weer volledig arbeidsongeschikt gemeld en vanaf 10 januari 2022 heeft zij de re-integratie hervat in een opbouwschema, waarbij zij uitsluitend vanuit huis heeft gewerkt.

1.2 Nadat werkneemster op 6 december 2021 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft het Uwv appellante een loonsanctie opgelegd tot 22 februari 2023 wegens het verrichten van onvoldoende re-integratie inspanningen en de WIA-aanvraag niet in behandeling genomen.

1.3 In februari 2023 heeft het Uwv de WIA-aanvraag weer in behandeling genomen en heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat werkneemster bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 februari 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat werkneemster niet meer geschikt is voor het werk dat zij verrichte voor haar ziekmelding. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor werkneemster functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 33,64%. Bij besluit van 17 februari 2023 heeft het Uwv geweigerd om aan werkneemster een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Werkneemster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.4 Bij brief van 18 augustus 2023 heeft het Uwv werkneemster en appellante in kennis gesteld van het voornemen om werkneemster met ingang van 22 februari 2023 een WIAuitkering toe te kennen. Daaraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

1.5 De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een gewijzigde FML van 11 augustus 2023 opgesteld, waarin – voor zover in deze zaak van belang – werkneemster licht beperkt is op zitten, te weten ongeveer een uur achtereen zitten, beperkt is op zitten tijdens het werk, te weten kan zonodig gedurende de helft van de werkdag zitten, ongeveer vier uur, met als toelichting in goede afwisseling met lopen/staan tot zes uur per dag. Voor staan is werkneemster ook beperkt, te weten kan ongeveer een kwartier achtereen staan, en voor staan tijdens werk is zij beperkt, te weten dat zij zonodig gedurende een beperkt deel van de werkdag kan staan (ongeveer één uur) met als toelichting tot twee uur per dag. Verder is zij - onder meer - aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken.

1.6 De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een aantal geselecteerde functies laten vervallen en nieuwe functies geselecteerd. De mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster is vastgesteld op 39,74%. Werkneemster en appellante hebben hierop gereageerd.

1.7 Bij besluit van 12 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 17 februari 2023 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan werkneemster met ingang van 22 februari 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. De door werkneemster en appellante gegeven zienswijzen zijn voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen reden geweest om af te wijken van hun eerdere beoordeling.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van werkneemster onjuist heeft ingeschat en heeft ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat werkneemster ongeschikt is voor haar eigen werk juist geacht en de redenering daartoe inzichtelijk en te volgen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 4 juni 2024 uiteengezet dat daarvoor gekeken moet worden naar de laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid uitgevoerde werkzaamheden, inclusief de specifieke, zich bij de werkgever voordoende omstandigheden. Dit omvat in het geval van werkneemster eenmaal per week werken op kantoor in [vestigingsplaats] met een reistijd in het openbaar vervoer van drie uur enkele reis. Dit is meer dan de anderhalf uur enkele reis die in de regel als passend geacht wordt. Werkneemster werkt daardoor op die dag meer dan acht uur per dag. Daarmee worden de aspecten zitten en staan overschreden, omdat het zitten en staan samen maximaal acht uur per dag mag zijn. De functie is al om die reden niet passend voor werkneemster en daarom komt de rechtbank aan het gestelde over de vraag sprake is van een overschrijding in de eigen functie op de aspecten deadlines en productiepieken, waarvoor werkneemster beperkt is geacht, niet toe. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv, dat een praktische schatting om die reden niet aan de orde is, onderschreven.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat dat de rechtsbank ten onrechte de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gevolgd. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de door werkneemster feitelijk verrichte werkzaamheden per 22 februari 2023 passend zijn en dat dus ten onrechte geen praktische schatting is verricht. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat werkneemster geschikt is voor de maatgevende arbeid. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat reistijd mag worden meegenomen in de beoordeling van het eigen werk. Appellante heeft een voorziening (hotelovernachting) aangeboden om werkneemster te faciliteren in het reizen naar [vestigingsplaats] . Verder heeft het Uwv geen zorgvuldig onderzoek gedaan naar de feitelijke belasting ten aanzien van deadlines en productiepieken in zowel de feitelijk verrichte arbeid als de maatgevende arbeid.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het standpunt van werkneemster
5. Ook werkneemster kan zich vinden in de aangevallen uitspraak.

Het oordeel van de Raad

6 De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer per 22 februari 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Praktische schatting

6.1 Op grond van artikel 9, aanhef en onder h en i, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit), wordt bij de bepaling van wat iemand nog met arbeid kan verdienen uitgegaan van de arbeid die feitelijk wordt verricht, de praktische schatting, mits dit leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan bij de theoretische schatting. Daarbij wordt onder arbeid die feitelijk wordt verricht mede verstaan arbeid die na het intreden van de arbeidsongeschiktheid feitelijk is verricht en waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

6.2 Volgens vaste rechtspraak is voor een praktische schatting van belang of de betreffende werkzaamheden passend kunnen worden geacht voor betrokkene en, daarmee samenhangend, of de genoten verdiensten als representatief voor de resterende verdiencapaciteit kunnen worden aangemerkt. Bij dit laatste speelt ook de duurzaamheid van de arbeidsverrichting een rol.

6.3 Ook de Raad komt – evenals de rechtbank – tot het oordeel dat in dit geval een praktische schatting niet aan de orde is. Uit de stukken blijkt dat werkneemster, nadat zij zich in augustus 2021 volledig arbeidsongeschikt had gemeld, vanaf januari 2022 weer is hervat in een opbouwschema, waarbij zij haar eigen werk in aangepaste vorm heeft verricht. Appellante heeft – en dat is ook uit de polisadministratie gebleken – het volledige loon betaald na een door werkneemster ingestelde loonvordering, maar niet is duidelijk geworden welke werkzaamheden werkneemster uitvoerde en in welke omvang. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 12 januari 2026 opgemerkt dat uit de dagstaten blijkt dat werkneemster weliswaar een aantal uren werkte, maar dat hieruit niet kan worden afgeleid hoeveel uren per week zij werkte en niet valt op te maken of zij iedere dag van de week werkte in het aangepaste werk. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zeggen deze gegevens niets over de daadwerkelijke loonwaarde die werkneemster realiseerde op de datum in geding. Daarbij heeft werkneemster het standpunt van appellant dat met het door haar ontvangen loon de loonwaarde van de feitelijk verrichte werkzaamheden kan worden bepaald gemotiveerd betwist. Volgens haar is het ontvangen loon hoger dan de loonwaarde van het feitelijk verrichte werk. Aannemelijk is dan ook dat het loon – hetzelfde loon als voor de volledig uitgeoefende functie – te hoog is en daarmee niet representatief. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan dan ook gevolgd worden in het standpunt dat geen conclusies kunnen worden getrokken over de gerealiseerde loonwaarde op de datum in geding. Het Uwv heeft dan ook reeds hierom terecht geen praktische schatting verricht op grond van artikel 9, aanhef en onder h en i, van het Schattingsbesluit.

6.4 Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan verwezen naar de ‘Handleiding praktisch beoordelen’. Deze handleiding ziet op de tijdelijke regels over praktisch beoordelen die per 1 juli 2024 zijn opgenomen onder artikel 9a Schattingsbesluit en heeft dus geen betrekking op de beoordeling op grond van artikel 9, onder h en i, van het Schattingsbesluit.

Geschiktheid maatgevende arbeid

6.5 Nu een praktische schatting niet aan de orde is, moet worden beoordeeld of werkneemster op de datum in geding geschikt was voor haar eigen werk. De belastbaarheid van werkneemster, zoals deze door het Uwv is neergelegd in de FML van 11 augustus 2023, is tussen partijen niet in geschil. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in navolging van de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat werkneemster ongeschikt is voor de maatgevende arbeid op 16 februari 2023 wegens overschrijding op de aspecten zitten en staan.

6.6 In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet te volgen. Niet in geschil is dat werkneemster na het derde ziektejaar nog steeds als gedeeltelijk arbeidsongeschikt werd aangemerkt door appellante. Verder staat vast dat één dag werken in [vestigingsplaats] deel uitmaakt van de maatgevende arbeid. Het Uwv wordt gevolgd in het standpunt dat de reistijd van en naar [vestigingsplaats] als onderdeel van de werktijd en dus van de maatgevende arbeid moet worden beschouwd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat op de dag dat werkneemster in [vestigingsplaats] werkte zij zes uur aanwezig was op kantoor, waarvan effectief vijf en een half uur, en dat zij op die dag voor acht uur loon ontving en daarnaast de gemaakte reistijd na vier uur ’s middags als overwerk uitbetaald kreeg. Dat betekent dat de reistijd onderdeel uitmaakt van de werktijd. Ongeacht de vraag of de reis twee uur (per auto) of drie uur (openbaar vervoer) enkele reis bedraagt, houdt dit een werkdag in van meer dan acht uur, namelijk tien of elf uur. Het Uwv kan daarom gevolgd worden in het standpunt dat dit een overschrijding inhoudt van de belastbaarheid op de aspecten zitten en staan, omdat het zitten en staan samen maximaal acht uur per dat mag zijn, namelijk maximaal zes uur zitten en maximaal twee uur staan.

6.7 Nu vaststaat dat hiermee de belastbaarheid van werkneemster in de maatgevende arbeid wordt overschreden, wordt niet meer toegekomen aan de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

6.8 Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning door het Uwv van een WIA-uitkering aan werkneemster per 22 februari 2023 en de daarbij vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en L.A. Kjellevold en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) M.J.D. van Haren

Aangehaalde uitspraken