CRvB 6 oktober 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1323

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De Raad sluit zich hierbij aan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

26/1758 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Oirschot (college)
Datum uitspraak: 6 oktober 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een verzoek om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor een procedure. De redelijke termijn is overschreden, maar het financiële belang bij de procedure waarin verzoekster om schadevergoeding heeft gevraagd is minder dan € 1.000,- en de redelijke termijn is niet met meer dan twaalf maanden overschreden. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en volstaat de Raad met de constatering dat de redelijke termijn met ruim tien maanden is overschreden.

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. M. Duurtsema, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Duurtsema heeft verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Raad heeft op 31 maart 2026, zaaknummer 22/2887 PW, uitspraak gedaan op het door verzoekster ingestelde hoger beroep, zonder op het verzoek om schadevergoeding te beslissen.

OVERWEGINGEN

1 De Raad beslist met deze uitspraak op het verzoek om schadevergoeding in verband overschrijding van de redelijke termijn.

1.1 Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.

1.2 De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals de zaak genoemd in het procesverloop in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

1.3 In een zaak waarin de redelijke termijn is overschreden, wordt als regel – behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan en/of de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de rechter worden veroordeeld tot vergoeding van die schade. De Hoge Raad rekent in belastingzaken, afgezien van geschillen over een bestuurlijke boete, tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden het geval dat het financiële belang bij een procedure zeer gering is. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De Raad heeft daarbij aansluiting gezocht.

1.4 De Hoge Raad neemt sinds zijn arrest van 14 juni 2024 in belastingzaken tot uitgangspunt dat zich een bijzondere omstandigheid zoals genoemd in 1.4 voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De Raad sluit zich bij deze rechtspraak van de Hoge Raad aan, waarbij wordt opgemerkt dat er gevallen kunnen zijn waarbij deze uitgangspunten niet opgaan.

1.5 Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang moet afzonderlijk worden bepaald voor elke fase van het geding waarop het verzoek om vergoeding van immateriële schade betrekking heeft (bezwaar en beroep, hoger beroep) aan de hand van de standpunten die de belanghebbende in die fase heeft ingenomen.

1.6 Voorgaande uitgangspunten betekenen in dit geval het volgende. Uit de stukken kan worden afgeleid dat het bezwaarschrift is ontvangen op 20 mei 2021. Tussen die datum en 31 maart 2026, de datum waarop de Raad uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep van verzoekster, zijn ruim vier jaar en tien maanden verstreken. Noch de zaak zelf, noch de opstelling van verzoekster geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Verzoekster beoogde met haar hoger beroep bijzondere bijstand te krijgen voor de kosten van de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen ter hoogte van € 127,- en de kosten van een bril met bifocale glazen van in totaal € 238,30. In totaal gaat het dus om een bedrag van € 365,30. Dat is minder dan € 1.000,-. De Raad is daarom van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn met ruim tien maanden is overschreden.

Conclusie en gevolgen

2 Het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Om die reden heeft verzoekster ook geen recht op vergoeding van de door haar in verband met dit verzoek gemaakte proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.T. Dannenberg

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken