CRvB 30 september 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1317
Weigering niet kwijtschelden van de openstaande vorderingen. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de schulden van appellante het gevolg zijn van gedragingen als bedoeld in artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/924 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
27 maart 2025, 24/2828 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv op goede gronden een aantal openstaande vorderingen op appellante op grond van de WW, Wazo en ZW op grond van de Wht niet heeft kwijtgescholden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Voor appellante is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1 Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1 Bij besluit van 5 juli 2013 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Werkloosheidswet over de periode van 27 juni 2011 tot en met 26 juli 2012 ingetrokken en bij besluit van 16 juli 2013 een bedrag van € 28.223,07 bruto aan onverschuldigd betaalde uitkering van appellante teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 28 augustus 2013 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 juli 2013 nietontvankelijk verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld. Bij besluit van 5 augustus 2013 heeft het Uwv de uitkeringen van appellante op grond van de Wet arbeid en zorg en de Ziektewet over de periode van 20 december 2006 tot en met 26 juni 2011 ingetrokken en een bedrag van € 100.600,97 bruto aan onverschuldigd betaalde uitkeringen van appellante teruggevorderd.
1.2 Bij brief van 11 maart 2021 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij voorlopig geen terugbetalingen hoeft te doen, omdat zij is aangemeld als gedupeerde van de problemen met de kinderopvangtoeslag. Appellante is daarna erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.
1.3 Bij besluit van 21 december 2023 heeft het Uwv ambtshalve vastgesteld dat appellante op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van alle openstaande vorderingen van het Uwv van voor 1 januari 2021, omdat de schulden zijn ontstaan door misbruik van sociale zekerheid of frauduleus of anderszins wederrechtelijk handelen of nalaten. Bij beslissing op bezwaar van 25 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vooropgesteld dat in deze procedure alleen het bestreden besluit, inhoudend dat de schulden van appellante niet ambtshalve op grond van de Wht kwijtgescholden worden, ter toetsing voorligt en dat de beroepsgronden die zien op mogelijke verjaring buiten de omvang van dit geding vallen. Deze gronden heeft de rechtbank daarom niet besproken.
2.1 Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat de beslissingen van het Uwv over de intrekking en de terugvordering van de uitkeringen van appellante in rechte vaststaan.
2.2 De rechtbank heeft verder vastgesteld dat het Uwv proces-verbaal heeft opgemaakt en aangifte heeft gedaan bij het Openbaar Ministerie van schending van de inlichtingenverplichting van appellante, door niet door te geven dat zij van 9 november 2005 tot en met 18 januari 2013 directeur-grootaandeelhouder (DGA) was van [naam B.V.] en dus niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Uit het e-mailbericht van 5 maart 2018 blijkt dat de strafzaak is afgedaan met een strafbeschikking en dat appellante een werkstraf van twintig uur heeft voldaan, maar dat de boete van € 2.500,- nog moest worden betaald. Hiertegenover heeft appellante aangevoerd dat zij niet heeft gefraudeerd. Appellante heeft echter geen enkele onderbouwing van dit standpunt gegeven. Zij heeft niet betwist dat zij DGA van [naam B.V.] was in de periode 2005-2013 en daarvan geen melding heeft gemaakt bij het aanvragen van de uitkeringen bij het Uwv. Hierdoor heeft appellante uitkeringen ontvangen waarop zij geen recht had, omdat zij als DGA niet verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Appellante heeft ook niet betwist dat er aangifte is gedaan en dat de strafzaak is afgedaan met een straftransactie. Gelet op deze omstandigheden heeft het Uwv in beginsel tot de conclusie kunnen komen dat de schuld van appellante is ontstaan als gevolg van misbruik van de socialezekerheidswetten, die zodanig is dat van kwijtschelding afgezien kan worden.
2.3 Verder heeft het Uwv gemotiveerd waarom de bevoegdheid tot weigering van kwijtschelding is toegepast en naar het oordeel van de rechtbank bij afweging van de betrokken belangen op goede gronden besloten dat de schulden van appellante niet voor kwijtschelding in aanmerking komen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De rechtbank heeft volgens appellante ten onrechte overwogen dat de mogelijke verjaring buiten de omvang van het geding valt. Verder heeft zij aangevoerd dat zij geen frauduleuze handelingen heeft verricht of de sociale zekerheid heeft misbruikt en dat zij daarom wel in aanmerking komt voor kwijtschelding. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv geen wettelijk overtuigend bewijs heeft overlegd dat het Uwv op de juiste en rechtmatige gronden aangifte tegen haar heeft gedaan. Ook heeft appellante gesteld dat zij de terugvorderingsbesluiten niet heeft ontvangen. Appellante heeft verder betoogd dat haar schuld bij het Uwv een private schuld is. In dit verband heeft zij gewezen op de uitspraak van 22 april 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een procedure van haar over een besluit van de Belastingdienst/Toeslagen op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Als in onderhavige procedure komt vast te staan dat sprake is van een private schuld, kan de minister van Financiën besluiten tot een eventuele schuldovername.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5 De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het niet kwijtschelden van de openstaande vorderingen van het Uwv in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Kwijtschelding
5.1 Artikel 3.6 van de Wht bepaalt – voor zover hier van belang – dat het Uwv ambtshalve de schulden kwijtscheldt van een gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag, voor zover die op 31 december 2020 niet waren voldaan. Artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wht bepaalt dat de schulden niet worden kwijtgescholden indien naar het oordeel van het Uwv de schuld is ontstaan door misbruik van sociale zekerheid of frauduleus of anderszins wederrechtelijk handelen of nalaten.
5.2 Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de schulden van appellante het gevolg zijn van gedragingen als bedoeld in artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wht. De feiten en omstandigheden die het Uwv aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd, zoals vermeld in de onder 2.2 weergegeven overwegingen van de rechtbank, kunnen die conclusie dragen. Niet kan worden gezegd dat het Uwv daarmee niet binnen de grenzen van de hem toekomende beoordelingsruimte is gebleven. Daarbij heeft het Uwv er terecht op gewezen dat in de memorie van toelichting bij de Wht de situatie waarin een strafbeschikking is afgegeven vanwege zekerheidsfraude wordt genoemd als een van de situaties die binnen het bereik van het vierde lid, onder c, van artikel 3.6 van de Wht kunnen vallen.
5.3 Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen daartoe dat de beslissingen van het Uwv over de intrekking en de terugvordering van de uitkeringen van appellante in rechte vaststaan en dat het niet aannemelijk is dat appellante niet op de hoogte was van de in overweging 1.1 genoemde besluiten, wordt onderschreven. Daaraan wordt nog toegevoegd dat het Uwv bij brief van 26 september 2013 de terugvorderingsbesluiten nogmaals op verzoek van appellante aan haar heeft gestuurd.
5.4 De stelling van appellante in hoger beroep dat sprake zou zijn van private schulden wordt niet gevolgd. De vorderingen van het Uwv op appellante zijn publiekrechtelijke schulden die in artikel 3.6 van hoofdstuk 3 van de Wht zijn geregeld.
Verjaring
5.5 Zoals hiervoor is geoordeeld, zijn de terugvorderingsbesluiten van 16 juli 2013 en 5 augustus 2013 in rechte onaantastbaar geworden. Hiermee staat de verplichting van appellante tot terugbetaling aan het Uwv van de aan appellante onverschuldigde betaalde uitkeringen vast. Het standpunt van appellante strekt er in feite toe dat voor recht wordt verklaard dat het Uwv niet meer bevoegd is om tot invordering over te gaan, omdat de vordering tot betaling van de geldsom inmiddels is verjaard. De beoordeling van een beroep op verjaring van de bevoegdheid tot (het vorderen van) nakoming van een geldschuld behoort tot de bevoegdheid van de civiele rechter. Het bestuursprocesrecht voorziet er niet in om voor recht te verklaren dat het Uwv niet meer bevoegd is om nakoming van de verplichting tot betaling van appellante te verlangen, omdat de rechtsvordering daartoe zou zijn verjaard. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt. Appellante dient zich voor dit verzoek tot de civiele rechter te wenden.
Conclusie en gevolgen
5.6 Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust. Dit betekent dat de weigering van het Uwv alle openstaande vorderingen van voor 1 januari 2021 kwijt te schelden in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.