CRvB 30 september 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1307

Terugvordering WAO-uitkering. Inkomsten uit drugshandel terecht op uitkering in mindering gebracht. Indeling in lagere arbeidsongeschiktheidsklasse. Geen sprake van verjaring. Geen dringende reden om van terugvordering af te zien.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

25/33 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 december 2024, 23/23 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht over de periode van 1 januari 2014 tot 5 april 2016 inkomsten in mindering heeft gebracht op de WAO-uitkering van appellant en terecht een bedrag van € 12.077,15 bruto aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant heeft teruggevorderd. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.E.J. Dohmen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dohmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1 Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1 Appellant ontvangt sinds 2 januari 2001 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft de WAO-uitkering over verschillende perioden tussen 4 april 2016 tot 6 maart 2018 wegens detentie van appellant beëindigd en nadien weer hervat.

1.2 Het Uwv heeft in juni 2020 een melding vermoedelijke overtreding ontvangen van het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) Oost-Brabant, waarin is vermeld dat appellant wegens handel in drugs financieel voordeel heeft behaald. Daarbij heeft het Uwv van het RIEC onder meer een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie van 2 december 2016 en een ontnemingsvonnis van de rechtbank OostBrabant van 28 september 2018 ontvangen. Het Uwv heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering. Hiertoe heeft het Uwv onder meer Suwinet en andere systemen geraadpleegd en informatie ingewonnen bij de Belastingdienst. Ook heeft een themaonderzoeker van het Uwv gesproken met appellant op 25 september 2020 en 10 juni 2021. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 18 juni 2021. Uit het onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat appellant bij vonnis van 20 april 2017 van de rechtbank Oost-Brabant is veroordeeld voor onder meer overtredingen in het kader van de Opiumwet en witwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar. Daarnaast heeft de rechtbank Oost-Brabant bij vonnis van 28 september 2018 het door appellant genoten wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 18.374,-.

1.3 Bij besluit van 21 juli 2022 heeft het Uwv het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 44 van de WAO en deze inkomsten over de periode van 1 januari 2014 tot 5 april 2016 in mindering gebracht op de WAO-uitkering van appellant, op grond waarvan indeling in een lagere mate van arbeidsongeschiktheid van 65% tot 80% volgt en over de periode van 1 januari 2014 tot 5 april 2016 een bedrag van € 12.077,15 bruto aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant wordt teruggevorderd.

1.4 Bij beslissing op bezwaar van 21 november 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juli 2022 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft verwezen naar een arrest van het gerechtshof Den Bosch van 31 mei 2022 waarbij is geoordeeld dat het gerechtshof zich kan verenigen met het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 18.374,-. Het Uwv heeft geen reden gezien om het bedrag van € 8.000.-, zijnde het bedrag dat het gerechtshof heeft vastgesteld als betalingsverplichting aan de Staat, en wat ook in de vaststellingsovereenkomst van 10 augustus 2022 van de Belastingdienst als terugbetalingsverplichting is opgenomen, aan te houden voor de vaststelling van de inkomsten uit arbeid. Volgens het Uwv is in die zaak sprake van omstandigheden die in deze zaak over de WAO-uitkering geen rol spelen.
Uitspraak van de rechtbank

2.1 De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat de feiten waarvoor hij is veroordeeld en waarop de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd niet zijn te beschouwen als economisch waardeerbare arbeid, zodat er geen wettelijke basis is voor verrekening met zijn WAOuitkering. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 44 van de WAO volgt dat slechts inkomen uit verrichte arbeid op de uitkering in mindering kan worden gebracht. Volgens vaste rechtspraak moet het dan gaan om arbeid van economische betekenis. Hieronder vallen ook inkomsten uit criminele activiteiten, zoals witwassen en drugshandel. Appellant is voor vergelijkbare feiten strafrechtelijk veroordeeld en daarop is ook de hem opgelegde betalingsverplichting voor wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd. In het politierapport is bovendien melding gemaakt van door appellant verrichte werkzaamheden in een drugslab en door hem verzorgd vervoer van laboranten naar het lab. De voorhanden gegevens ondersteunen niet de stelling van appellant dat hij slechts een “pakezel” was die geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht.

2.2 Over het beroep op verjaring van appellant heeft de rechtbank als volgt overwogen. Uit de stukken blijkt dat het Uwv door de melding vermoedelijke overtreding van het RIEC en onderliggende gegevens in juni 2020 bekend is geworden met het bestaan van een (mogelijke) vordering op appellant. Het Uwv heeft bij besluit van 21 juli 2022 de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering aan appellant bekendgemaakt. Het Uwv heeft met dit besluit de verjaring gestuit. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in het betoog dat het Uwv eerder bekend was met de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de conclusie dat onverschuldigd is betaald. Het enkele feit dat bij het Uwv al in 2016 bekend was dat appellant in detentie zat, is hiervoor onvoldoende. Appellant heeft ter zitting nog gewezen op het feit dat het Uwv in juli 2022 heeft besloten om geen boete op te leggen omdat de periode van overtreding langer dan vijf jaar geleden is. Het betoog dat de onderhavige vordering daarom ook verjaard is, gaat niet op. Het Uwv heeft wat betreft de boeteoplegging een andere maatstaf aangelegd dan de maatstaf die voor het beroep op verjaring van de onderhavige vordering van toepassing is.

2.3 De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van de herziening en/of terugvordering af te zien. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat het gerechtshof in zijn omstandigheden aanleiding heeft gezien om de vordering te beperken tot € 8.000,-, zijnde de waarde van de in beslag genomen goederen, en dat ook de Belastingdienst middels een vaststellingsovereenkomst ermee heeft ingestemd om het door appellant genoten inkomen op dat bedrag vast te stellen. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024, hierin geen reden gezien voor het aannemen van een dringende reden. De oorzaak van de herziening en terugvordering ligt geheel in de risicosfeer van appellant. De gevolgen acht de rechtbank niet onaanvaardbaar, nu wegens het ontbreken van aflossingscapaciteit invordering achterwege is gebleven en, naar ter zitting is gebleken, niet is te verwachten dat daarin binnen afzienbare termijn verandering komt. Dat het gezin van appellant veel heeft moeten lijden in de periode dat hij gedetineerd was, acht de rechtbank aannemelijk en voorstelbaar, maar hierin kan geen grond worden gezien om de gevolgen van het - veel later genomen - bestreden besluit als onaanvaardbaar te beschouwen. De stukken die het gerechtshof ertoe hebben gebracht om de vordering te verlagen, zijn in beroep niet overgelegd en de redenen van de Belastingdienst om het inkomen op een lager bedrag vast te stellen, blijken niet uit de overgelegde vaststellingsovereenkomst. Reeds hierom slaagt de verwijzing naar de beslissingen van deze instanties niet.

Het standpunt van appellant

3.1 Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat op grond van de beschikbare gegevens niet is aangetoond dat hij inkomsten heeft ontvangen die hoger zijn dan 20% van zijn maatmaninkomen, waardoor hij over de periode in geding te veel WAO-uitkering heeft ontvangen. Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2017 is appellant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat appellant in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2016 geldbedragen van in totaal € 13.910,46 heeft omgezet, terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank heeft daarbij echter uitdrukkelijk overwogen dat zij als uitgangspunt neemt dat er geen direct bewijs is voor (een) brondelict(en). Over de periode van 1 januari 2014 tot 5 april 2016 was er dan ook geen sprake van inkomsten uit arbeid, en is aan appellant terecht de WAO-uitkering uitbetaald. Volgens appellant is het duidelijk dat hij in de periode van 1 januari 2014 tot 5 april 2016 geen inkomsten uit de handel in drugs heeft gehad. Dit kan dan ook niet als een grondslag voor de terugvordering dienen. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunten herhaald dat de vordering is verjaard en dat sprake is van een dringende reden om van herziening en/of terugvordering af te zien. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een dringende reden heeft appellant in hoger beroep stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn financiële situatie slecht is en dat hij diverse gezondheidsklachten heeft.

Het standpunt van het Uwv

3.2 Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4 De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de korting op de WAO-uitkering van appellant in verband met inkomsten uit arbeid en de terugvordering van een bedrag van € 12.077,15 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2014 tot 5 april 2016 in stand heeft gelaten. De Raad beoordeelt dit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1 De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.2 Het besluit tot korting van de WAO-uitkering van appellant in verband met inkomsten uit arbeid en terugvordering van de WAO-uitkering is een belastend besluit, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 44 van de WAO en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.3 De rechtbank wordt gevolgd in de conclusie dat in dit geval sprake is van inkomen uit verrichte arbeid die op de WAO-uitkering in mindering kan worden gebracht. De overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid, zoals hiervoor weergegeven onder 2.1, worden onderschreven. Volstaan wordt met verwijzing daarnaar.
Verjaring 4.4. Voor de verjaring van een terugvorderingsbesluit moet aansluiting worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit is vaste rechtspraak. Op grond van artikel 3:309 van het BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van een WAO-uitkering begint dus de dag nadat het Uwv bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan duidelijk is dat WAO-uitkering zal moeten worden teruggevorderd.

4.5 De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv met de melding vermoedelijke overtreding van het RIEC in juni 2020 bekend is geworden met het bestaan van een (mogelijke) vordering op appellant. Sindsdien zijn er geen vijf jaren verlopen, aangezien het Uwv met het besluit van 21 juli 2022 de verjaring van de terugvordering van de WAOuitkering heeft gestuit. Dat het Uwv in 2016 bekend was met het feit dat appellant in detentie zat, betekent niet dat het Uwv toen al op de hoogte was van een mogelijke vordering op appellant. Appellant wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv naar aanleiding van de melding dat appellant in detentie zat onderzoek had moeten doen naar de reden van de detentie. Daarvoor was op dat moment geen aanleiding voor het Uwv.

Overschrijding redelijke termijn

4.6 Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt in hoger beroep dat de terugvordering in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens omdat de redelijke termijn is overschreden. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 1 september 2022 zijn nog geen vier jaren verstreken.
Dringende reden

4.7 Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.

4.8 Geoordeeld wordt dat het Uwv in de situatie van appellant zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. Appellant heeft inkomsten uit (criminele) werkzaamheden genoten waardoor hij over de periode van 1 januari 2014 tot 5 april 2016 te veel WAO-uitkering heeft ontvangen. De oorzaak van de terugvordering is dus geheel aan appellant te wijten. Bovendien heeft het Uwv rekening gehouden met de slechte financiële situatie van appellant door in verband met een gebrek aan aflossingscapaciteit nog niet tot invordering over te gaan.

Conclusie en gevolgen

5 Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het Uwv terecht de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over de periode van 1 januari 2014 tot 5 april 2016 heeft vastgesteld op 65 tot 80% en terecht het bedrag aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over deze periode heeft vastgesteld op € 12.077,15 bruto.

6 Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

Artikel 36a, eerste en tweede lid

1 Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt hij die in:

a. (…)

b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering; c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; d. (…).

2 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien.

Artikel 44, eerste lid

1 Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:

a. (...)

b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

Artikel 57, eerste en zesde lid

1 De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

6 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Artikel 80, eerste lid

1 Degene, die de wachttijd, bedoeld in artikel 19 doormaakt, dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 54 de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken