CRvB 30 september 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1306

ZW-uitkering terecht beëindigd nu het Uwv voor de maatstaf arbeid van de juiste functie is uitgegaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

25/2000 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 augustus 2025, 24/3317 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de uitkering die appellant ontving op grond van de ZW per 8 april 2024 terecht heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om zijn eigen werk te verrichten, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Weijer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 augustus 2026. Appellant is via beeldbellen verschenen, bijgestaan door mr. Weijer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1 Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1 Appellant heeft voor het laatst gewerkt bij een internationaal transportbedrijf voor 25 uur per week. Zijn dienstverband is op 5 juli 2023 geëindigd. Op 22 september 2023 heeft hij zich ziekgemeld met psychische en fysieke klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 9 november 2023 heeft hij het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant per die datum geschikt geacht voor zijn laatste werk. Met een besluit van 16 november 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering per die datum beëindigd.

1.2 Bij besluit van 29 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit van 16 november 2023 herroepen en het recht op ziekengeld per 8 april 2024 beëindigd. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 april 2024 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv van een juiste maatstaf arbeid is uitgegaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navraag gedaan bij appellant over de inhoud van de door hem verrichte werkzaamheden en hieruit is naar voren gekomen dat appellant tijdens zijn dienstverband nauwelijks concrete werkzaamheden heeft verricht, maar dat het dienstverband bestond in afwachting van een transport-vergunning. Toen bleek dat deze niet werd afgegeven, is het dienstverband middels een vaststellingsovereenkomst beëindigd. De taken die appellant (anamnestisch) wel heeft verricht, bestonden uit het zoeken naar mogelijke opdrachten voor de werkgever, thuis achter de computer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van de arbeidsanamnese geconcludeerd dat de taken geen fysieke belasting kennen, anders dan het gebruik van een toetsenbord/muis en beeldscherm. Dat sprake is geweest van aanzienlijke mentale belasting is niet gebleken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien niet van de arbeidsanamnese uit te gaan. De rechtspraak waarop appellant zich beroept is volgens de rechtbank niet van toepassing, omdat het in die zaak niet ging om een verlichting van taken die niet in de werkzaamheden zelf was gelegen, maar verband hield met de omstandigheden binnen het bedrijf (teruggang in werk). Aan de door appellant in beroep genoemde aspecten die het werk zwaarder maakten, zoals onder druk gezet worden, planningsopdrachten krijgen en dergelijke kan volgens de rechtbank worden voorbijgegaan, omdat appellant die aspecten niet bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benoemd. Verder heeft de rechtbank het onderzoek door het Uwv zorgvuldig geacht en ook inhoudelijk de beoordeling onderschreven. Appellant was voor zijn visusklachten in november 2023 geopereerd en herstelde goed. Op het moment van het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 4 april 2024 waren er geen redenen meer visuele beperkingen aan te nemen. De geheugenproblemen waren ook voor de start van het dienstverband aanwezig en van een toename tijdens het dienstverband is niet gebleken. Verder heeft de rechtbank geen reden gezien te twijfelen aan de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat weliswaar sprake was van diverse stressfactoren, maar dat van een ernstige psychische problematiek niet is gebleken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft de eerdere beroepsgronden gehandhaafd en aangevoerd dat het Uwv van een onjuiste maatstaf arbeid is uitgegaan en dat zijn medische problematiek is onderschat.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5 De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

5.1 Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

5.2 De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van de gronden van bezwaar en beroep. De rechtbank heeft die gronden op inzichtelijke wijze besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

5.3 Op grond van vaste rechtspraak van de Raad wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Dat dit mogelijk afwijkt van de in de arbeidsovereenkomst bedongen arbeid maakt dit niet anders. In het dossier wordt zowel gesproken over de functie van vergunninghouder, als over de functie van planner. Ter zitting bij de Raad heeft appellant bevestigd dat hij de taken behorende bij de functie van vergunninghouder, te weten het opzetten van transporten naar of met het buitenland, niet feitelijk heeft verricht, omdat de daarvoor vereiste vergunning voor transport niet door de werkgever was verkregen. Dat was ook de reden om het dienstverband te beëindigen. Appellant heeft tijdens het dienstverband blijkens de arbeidsanamnese bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep alleen wat computerwerk verricht. Er bestaat geen grond om appellant te volgen in zijn stelling dat ondanks dat hij taken van de vergunninghouder niet heeft vervuld, voor de maatstaf arbeid toch uitgegaan moet worden van de functie van vergunninghouder, inclusief de psychisch belastende aspecten in die functie, zoals hoge tempo/tijdsdruk, complexiteit en conflicthantering.

5.4 Het beroep van appellant op de uitspraak uit 2017, genoemd onder voetnoot 1, betrof een andere situatie omdat de betrokkene in die zaak voorheen zwaarder werk vervulde, waarvan de omvang om bedrijfseconomische redenen werd teruggebracht op nihil. In dit geval heeft appellant nooit het zwaardere werk van vergunninghouder verricht.

Conclusie en gevolgen

5.5 Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 8 april 2024 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van B. Ucurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) B. Ucurum

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken