CRvB 29 september 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1270

Afwijzing aanvraag. Dak- en thuisloze. Verblijfslocatie. Geen onzorgvuldig onderzoek. De handhavingsspecialisten hebben op twee verschillende dagen de locatie bezocht op tijdstippen waarop appellant tot 8:00 uur aanwezig moest zijn. In het rapport van bevindingen is opgetekend dat appellant in de ochtend “tegen 08.00 uur” vertrekt, maar appellant heeft ter zitting verklaard dat hij op beide tijdstippen van de controles op de locatie aanwezig was. Het college heeft aldus voldaan aan de onderzoeksplicht. Anders dan appellant heeft aangevoerd, lag het niet op de weg van de handhavingsspecialisten om onderzoek te verrichten op andere locaties waar hij zich regelmatig ophoudt aangezien hij geen andere locaties heeft gemeld als mogelijke verblijfslocaties.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

25/961 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2025, 24/3105 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 29 september 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een besluit tot afwijzing van de aanvraag van appellant om bijstand als dak- en thuisloze. Volgens het college heeft appellant onvoldoende inlichtingen gegeven om te kunnen vaststellen of hij recht heeft op bijstand. Appellant is niet aangetroffen op de door hem opgegeven verblijfslocatie. Appellant stelt dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek en dat zijn recht wel kan worden vastgesteld. Appellant krijgt hierin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Meijer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meijer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1 Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1 Appellant heeft zich op 11 maart 2024 gemeld om bijstand aan te vragen en op 14 maart 2024 een aanvraag ingediend om bijstand voor bijzondere doelgroepen op grond van de Participatiewet (PW). Daarbij heeft appellant op het formulier ‘Inlichtingen en opgave verblijfslocatie(s) dak- en thuisloze’ (formulier) opgegeven gemiddeld zeven nachten per week onder de brug aan de [adres] in [woonplaats] te verblijven. Op het formulier staat dat het tijdstip van aankomst van appellant wisselt en dat het tijdstip van vertrek 8:00 uur is. Appellant heeft op het formulier een tekening gemaakt waarop hij zijn slaapplaats onder de brug heeft aangeduid. Appellant heeft het formulier ondertekend. Daarmee heeft hij ook getekend voor de volgende, in het formulier opgenomen verklaring:
“- Ik verklaar dat ik op deze adressen verblijf en dat de lijst volledig is.
- Ik weet dat ik iedere wijziging moet doorgeven aan de afdeling Intake, de afdeling
Budget en Inkomensbeheer Bijzondere Doelgroepen (BIBD) of de afdeling
Inkomensvoorziening van de gemeente Amsterdam.
(…)
- Ik zal onmiddellijk uit mezelf alle feiten en omstandigheden doorgeven die van invloed
kunnen zijn op mijn recht op bijstand.
- Ik verklaar dat de tekening op de achterkant van dit formulier mijn verblijfslocatie juist
weergeeft.”

1.2 Het college heeft vervolgens onderzoek laten verrichten naar de juistheid van de door appellant opgegeven verblijfslocatie. In dat kader hebben twee handhavingsspecialisten van de gemeente Amsterdam de opgegeven verblijfslocatie [adres] , onder een brug, bezocht op 21 maart 2024 omstreeks 7:54 uur en op 28 maart 2024 omstreeks 5:40 uur. De handhavingsspecialisten zijn beide keren naar de door appellant opgegeven parkeerplaats gereden, hebben alle parkeervlakken afgereden en hebben appellant daar niet aangetroffen. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 28 maart 2024 (rapport van bevindingen).

1.3 Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het college met een besluit van 28 maart 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 7 mei 2024 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant geen volledige inlichtingen heeft gegeven waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat appellant tijdens onaangekondigde locatiebezoeken op 21 en 28 maart 2024 niet is aangetroffen op de door hem opgegeven locatie voor het betreffende tijdstip. Zoals is vermeld op het formulier is appellant gehouden om tijdens de behandeling van zijn aanvraag wijzigingen van zijn verblijfplaats door te geven. Het college heeft tijdens de behandeling van de aanvraag geen wijzigingen van appellant doorgekregen. Hierdoor kan het college niet vaststellen waar appellant feitelijk verblijft.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4 De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1 Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 11 maart 2024, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 28 maart 2024, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).

4.2 Op iemand die bijstand aanvraagt zijn vanaf het moment dat hij zich heeft gemeld voor de aanvraag de inlichtingenverplichting en de medewerkingsverplichting van artikel 17, eerste en tweede lid, van de PW van toepassing. Hierbij vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven waarover de aanvrager dus inlichtingen dient te geven. Op grond van vaste rechtspraak kan ook van iemand die stelt dakloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats, juist ook om vast te stellen dat hij dakloos is en niet een vast hoofdverblijf heeft. De bijstandverlenende instantie heeft vervolgens een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3 Om vast te stellen of een aanvrager behoort tot de bijzondere doelgroep van dak- en thuislozen maakt het college gebruik van een formulier. Een aanvrager moet op het formulier vermelden waar hij vanaf de datum van aanvraag verblijft of zal verblijven en per opgegeven adres/locatie ook de eventuele tijdstippen van aankomst en vertrek en het aantal nachten dat de aanvrager gemiddeld per week verblijft op dit adres. Iedere wijziging dient te worden doorgegeven. Vervolgens wordt voor verificatie van de opgegeven gegevens een adres- of locatiebezoek afgelegd. Bij de invulling en ondertekening van het formulier wordt een en ander standaard met de aanvrager besproken en aangegeven dat deze werkwijze noodzakelijk is uit een oogpunt van efficiënte controle. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is deze werkwijze niet onredelijk.

4.4 Appellant heeft aangevoerd dat het college onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld door het onderzoek naar de locatie van appellant te beperken tot twee korte controles op de opgegeven bruglocatie op 21 maart 2024 om 7:54 uur en op 28 maart 2024 om 5:40 uur. De handhavingsspecialisten hebben op die dagen niet goed gekeken en hadden, toen ze appellant niet zagen, op z’n minst telefonisch contact met hem moeten opnemen. Deze grond slaagt niet. Dit wordt hieronder toegelicht.

4.4.1 De handhavingsspecialisten hebben in ieder geval op twee verschillende dagen, namelijk op 21 en 28 maart 2024, de locatie bezocht op tijdstippen waarop appellant, volgens zijn in 1.1 vermelde eigen opgave op het formulier, tot 8:00 uur aanwezig moest zijn. Zoals besproken ter zitting van de Raad is in het rapport van bevindingen, anders dan in het formulier, opgetekend dat appellant in de ochtend “tegen 08.00 uur” vertrekt. Omdat appellant ter zitting van de Raad echter expliciet heeft verklaard dat hij op beide tijdstippen van de controles op de locatie aanwezig was, doet vorenstaande discrepantie in de tijdsaanduiding niet af aan het feit dat appellant bij de controles op 21 en 28 maart 2024 niet is aangetroffen. Het college heeft, gelet op 4.3, aldus voldoende voldaan aan de onder 4.2 genoemde onderzoeksplicht. Anders dan appellant heeft aangevoerd, lag het niet op de weg van de handhavingsspecialisten om onderzoek te verrichten op andere locaties waar hij zich regelmatig ophoudt, zoals sportschool [naam] in de [straat 1] en het adres van zijn vriend X in de nabijgelegen [straat 2] . Appellant heeft die locaties namelijk niet op het formulier vermeld als mogelijke verblijfslocaties. Ook was het college, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet gehouden om telefonisch contact met appellant op te nemen voor het onderzoek naar zijn verblijfslocatie. Het college hanteert, zoals ook volgt uit rechterlijke uitspraken, bij de controle van de verblijfslocatie(s) de gedragslijn dat slechts in incidentele gevallen naar betrokkenen wordt gebeld, bijvoorbeeld in het geval de bel kapot is van een woning die als verblijfslocatie is opgegeven, of als het vriest of stortregent en de opgegeven verblijfslocatie zich in een park bevindt. Het bellen naar betrokkenen maakt in beginsel geen deel uit van de gevolgde werkwijze. Appellant heeft geen aanknopingspunten geboden op basis waarvan voor de handhavingsspecialisten in dit geval aanleiding bestond om appellant conform de gedragslijn, bij uitzondering, te bellen.

4.4.2 Ook de door appellant genoemde uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2020 en 22 september 2023 maken niet dat het college is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht, omdat het feitencomplex in de zaak van appellant wezenlijk verschilt van de feitencomplexen die aan die uitspraken ten grondslag liggen.

4.5 Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft hij met de schriftelijke verklaring van Y niet aannemelijk gemaakt dat hij, in weerwil van de in 1.2 genoemde waarnemingen van de handhavingsspecialisten, in de te beoordelen periode op de door hem opgegeven verblijfslocatie aanwezig was. In die ongedateerde verklaring, die appellant met de aanvullende gronden van beroep bij de rechtbank op 14 maart 2025 heeft ingebracht, staat onder meer dat Y appellant het afgelopen half jaar bijna elke keer aantrof onder de brug op de [adres] te [woonplaats] naast [lokatie] . Die verklaring zegt dus niets over het verblijf van appellant op die locatie in de te beoordelen periode.

4.6 Appellant heeft tot slot aangevoerd dat met het standpunt van het college dat appellant een andere verblijfslocatie onverwijld aan het college had moeten doorgeven praktische beperkingen worden miskend. Appellant beschikte niet over de mogelijkheid om via WhatsApp, e-mail of andere digitale middelen contact te onderhouden met het college. Appellant had ook geen direct telefoonnummer of contactpersoon bij de gemeente die hij buiten kantoortijden kon bereiken. Ook deze grond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van appellant mocht worden gevergd het college op de hoogte te stellen, desnoods de volgende dag, als er veranderingen zijn in zijn verblijfslocatie. Zoals volgt uit 1.1 staat op het formulier bij welke drie afdelingen van de gemeente appellant wijzigingen van zijn verblijfplaats moet doorgeven. Vaststaat dat appellant dat niet heeft gedaan.

Conclusie en gevolgen

4.7 Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de bijstandsaanvraag in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.

(getekend) C.F.E. van Olden-Smit

(getekend) R.R. Olde Engberink

Aangehaalde uitspraken