CRvB 25 augustus 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1202

Toekenning bedrijfskapitaal als lening. Hoofdelijke aansprakelijkheid. Herhaling beroepsgronden. Wat appellanten aanvoeren, is een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

25/214 TOZO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 januari 2025, 24/1959 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 25 augustus 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de toekenning van bijstand in de vorm van bedrijfskapitaal op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) ten behoeve van de besloten vennootschap van appellante. De bijstand is aan appellanten verleend in de vorm van geldleningen. Appellanten zijn het er niet mee eens dat zij als privépersonen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de geldleningen. Net als de rechtbank is de Raad het niet met appellanten eens. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en partijen gewezen op hun recht om te worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard gebruik te willen maken van dat recht. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1 Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1 Appellanten zijn gehuwd. Appellante heeft op 4 juni 2019 een besloten vennootschap opgericht (BV), waarvan zij enig aandeelhouder is. Appellant is algemeen directeur van de BV met volledige bevoegdheid.

1.2 Appellant heeft op 12 mei 2020 en op 11 november 2020 bij het college aanvragen ingediend om toekenning van bijstand in de vorm van bedrijfskapitaal op grond van de Tozo. Met besluiten van 15 juni 2020 en 21 november 2020 heeft het college aan appellanten bijstand toegekend in de vorm van rentedragende leningen. Het gaat daarbij om een lening van € 4.000,- en een lening van € 6.000,-.

1.3 Met een brief van 4 juli 2022 heeft het college appellanten meegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2022 op de leningen dienen af te lossen. Naar aanleiding van deze brief hebben appellanten alsnog bezwaar gemaakt tegen de onder 1.2 vermelde besluiten. Met een besluit van 3 november 2022 heeft het college deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard in verband met een niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

1.4 Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 3 november 2022. Met een uitspraak van 12 oktober 2023 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 november 2022 vernietigd en het college opgedragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. Het college heeft geen hoger beroep tegen deze uitspraak van de rechtbank ingesteld.

1.5 Met een besluit van 4 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de onder 1.2 vermelde besluiten ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij de Tozo en het aanvraagformulier van appellant, ten grondslag gelegd dat de bijstand is toegekend aan de zelfstandige, zijnde de privépersoon die tenminste 1.225 uur per jaar besteedt aan werkzaamheden voor het bedrijf of zelfstandig beroep. Appellant heeft de bijstand aangevraagd als natuurlijk persoon en heeft daarbij te kennen gegeven dat de bijstand aan hem moet worden uitbetaald op zijn privébankrekening. In het toekenningsbesluit staat dat appellanten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de leningen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen, waarbij voor eiser(es) appellant(e) moet worden gelezen en voor eisers appellanten:
“Uit de artikelen 2 en 10 van de Tozo volgt dat bedrijfskapitaal kan worden verleend aan de zelfstandige die als gevolg van de coronacrisis over onvoldoende geldmiddelen beschikt om aan de financiële verplichtingen verbonden aan diens bedrijf te kunnen voldoen. Onder zelfstandige wordt op grond van artikel 1 van de Tozo verstaan de rechthebbende die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf en die ten minste 1.225 uur per jaar besteedt aan werkzaamheden voor het bedrijf en alleen of samen met degene met wie hij het bedrijf uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf heeft en de financiële risico’s daarvan draagt.
In de Nota van Toelichting (NvT) bij de Tozo is onder meer vermeld:
‘Als zelfstandige wordt derhalve niet alleen degene met een eenpersoonsbedrijf of -beroep aangemerkt, maar ook degene wiens positie in economisch opzicht daarmee overeenkomt en die werkzaam is in een samenwerkingsverband of in een rechtspersoon. (…) De zelfstandige die als gevolg van de coronacrisis wordt geconfronteerd met een liquiditeitsprobleem, kan een beroep doen op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. De bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt uitsluitend verstrekt in de vorm van een rentedragende lening, die altijd volledig moet worden terugbetaald.’
Op grond van artikel 59 van de PW zijn gezinsleden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugvordering.
Naar het oordeel van de rechtbank dient eiser, gelet op de bepalingen in de Tozo en de NvT daarop, als zelfstandige in de zin van de Tozo te worden aangemerkt. Hij heeft de bedrijfskredieten aangevraagd. Deze zijn door het college aan hem en eiseres toegekend, en niet aan de BV. De leningen kunnen daarmee als gezinsbijstand worden aangemerkt. Eisers zijn dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de aflossing van de leningen. Dat het college de BV op grond van artikel 11 van de Tozo wellicht ook aansprakelijk had moeten stellen, maakt dat niet anders.”
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij hebben zich net als in beroep op het standpunt gesteld dat de bijstand voor het bedrijfskapitaal is aangevraagd door en is verstrekt aan de besloten vennootschap en dat appellanten daarom niet privé aansprakelijk zijn.

Het oordeel van de Raad

4 De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van bijstand aan appellanten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1 Wat appellanten onder 3 aanvoeren, is een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellanten hebben in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hen onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de onder 2 weergegeven overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over.

Conclusie en gevolgen

4.2 Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat toekenning van bijstand aan appellanten in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.

(getekend) mr. P.W. van Straalen

(getekend) M. Zwart

Aangehaalde artikelen