CRvB 16 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:835

Afwijzing aanvraag Bbz voor een beëindigend zelfstandige. Intrekking TOZO-uitkering. Aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor levensonderhoud als beëindigend zelfstandige op grond van het Bbz heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich al ten tijde van de aanvraag had verplicht de activiteiten in het bedrijf zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twaalf maanden, te beëindigen. De Raad komt tot het oordeel dat deze grondslag juist is. Verder beoordeelt de Raad de intrekking en terugvordering van bijstand die aan appellant is verleend op grond van de Tozo. Tussen partijen is niet in geschil dat het college bevoegd was de Tozo-uitkering van appellant in te trekken. De Raad oordeelt dat het college niet op een juiste wijze gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking van de Tozo-uitkering doordat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de belangen van appellant.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken