CRvB 14 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1797
Verdragsgerechtigde, vaststelling buitenlandbijdrage, geen kosten voor verstrekkingen bij Nederland gedeclareerd, toepassing arresten Rundgren en Van Delft e.a. Uit de arresten van 10 mei 2001 (Rundgren, C-389/99, ECLI:EU:C:2001:264) en van 14 oktober 2010 (Van Delft e.a., C-345/09, ECLI:EU:C:2010:610) van het Hof van Justitie volgt dat indien de gepensioneerde recht heeft op verstrekkingen in zijn woonland ten laste van een andere lidstaat, deze lidstaat een buitenlandbijdrage mag heffen, ook als hij de kosten van de verstrekkingen niet daadwerkelijk hoeft te dragen. De wijze waarop kosten voor verstrekkingen door de lidstaten onderling worden afgerekend heeft dan ook geen rechtsgevolgen voor de verhouding tussen het bevoegde orgaan van een lidstaat en de verdragsgerechtigde. Nu in 2018 het recht op verstrekkingen in Ierland ten laste van Nederland als pensioenland kwam, had Nederland de bevoegdheid bijdragen te heffen en te innen. Op grond van artikel 30 van Vo 883/2004 en de uitleg die het Hof hieraan in zijn rechtspraak heeft gegeven, heeft het feit dat Ierland kennelijk in 2018 geen kosten voor verstrekkingen bij Nederland heeft gedeclareerd, geen invloed op deze bevoegdheid. Hieraan doet niet af dat hierover tussen Nederland en Ierland mogelijk geen afspraken zijn gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl