CRvB 1 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1514
Afwijzing verzoek om herziening. Geen novum in de zin van art. 4:6 Awb. Afwijzing niet evident onredelijk. Appellant wenst met zijn verzoek te bewerkstelligen dat hij over de periode van 19 juli 2019 tot en met 2 februari 2020 alsnog recht krijgt op bijstand. Hij stelt dat hij door het latere terugvorderingsbesluit van het Uwv over die periode met terugwerkende kracht geen inkomen had. Het terugvorderingsbesluit van het Uwv dateert weliswaar van na het eerdere besluit, maar is geen feit of veranderde omstandigheid die, als die eerder bekend was geweest, tot een ander besluit had geleid. Het eerdere besluit was immers een intrekking op grond van art. 54, vierde lid, PW. Appellant had destijds niet binnen de gestelde termijn de gevraagde stukken overgelegd. Het alsnog overleggen van een stuk dat ziet op een inhoudelijke beoordeling over de intrekkingsperiode kan er dan ook niet toe leiden dat wordt teruggekomen van dat eerdere besluit. De afwijzing van het herzieningsverzoek is niet evident onredelijk. Appellant heeft in die periode immers feitelijk beschikt over de middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.
De uitspraak op rechtspraak.nl