CRvB 13 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1347
Op basis van het weergegeven toetsingskader oordeelt de Raad dat de opgelegde consignatiedienst geen arbeidstijd in de zin van artikel 2 van de Richtlijn is. De aan appellanten opgelegde consignatiediensten met daarbij onder meer de verplichting om na een oproep binnen een uur op [standplaats] te zijn, zijn niet onredelijk. De Raad kan invoelen dat appellanten het als vervelend ervaren dat zij tijdens hun consignatiediensten vanwege de reisafstand niet thuis kunnen slapen. Dit is echter het gevolg van hun woonplaatskeuze en kan daarom niet van invloed zijn op het antwoord op de vraag of hun consignatiediensten als arbeidstijd zijn te beschouwen. Deze consignatiediensten zijn niet aan te merken als ‘arbeidstijd’ maar als ‘rusttijd’ in de zin van de Richtlijn en de rechtspraak van het Hof. Dit betekent dat bij deze consignatiediensten geen sprake is van aanwezigheidsdiensten als bedoeld in het nationale recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl