CRvB 31 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:869
In geschil is of de brigadecommandant aan appellant, in plaats van onbetaald langdurend zorgverlof, betaald langdurend zorgverlof had moeten toekennen over de periode van 29 januari 2018 tot en met 14 december 2018 en over het gehele jaar 2019. In het geval van de zoon van appellant is sprake van een blijvende meervoudige verstandelijke beperking. Chronische hulpbehoevendheid valt volgens de toelichting, gezien de gekozen bewoordingen in artikel 87c van het AMAR, niet onder deze bepaling. Het betoog van appellant, dat de tijdelijkheid zou zien op hulp tot aan het achttiende levensjaar van zijn zoon, volgt de Raad daarom niet. Dat de duur van het langer durend zorgverlof niet gemaximeerd is, maakt dit niet anders. De omstandigheid dat in de jaren 2017, 2020, 2021 en 2022 wel betaald langer durend zorgverlof aan appellant is toegekend, maakt op zichzelf, anders dan appellant betoogt, niet dat de uitleg die de brigadecommandant aan artikel 87c van het AMAR geeft onjuist is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl