CRvB 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:830

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 27 september 2018 heeft vastgesteld op 37,86%. Nu appellant de juistheid van de FML van 6 februari 2019 niet heeft bestreden, beperkt het geschil zich tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De grond van appellant, dat de functies binnen SBC-code 111180 (productiemedewerker industrie) en SBC-code 111010 (medewerker tuinbouw) niet passen binnen de in de FML vastgestelde beperking op beoordelingspunt 1.9.8 (‘aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist’), slaagt niet. Anders dan appellant heeft gesteld, is hiermee zijn belastbaarheid niet ongeoorloofd gerelativeerd. Appellant wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat de urenomvang van SBC-code 264122 had moeten worden vastgesteld op 18 in plaats van 24. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht met ingang van 27 september 2018 heeft vastgesteld op 37,86%. Omdat in hoger beroep de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit zijn gewijzigd, slaagt het hoger beroep. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in beroep en hoger beroep heeft gemaakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken