CRvB 7 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:815
De Svb heeft terecht geweigerd om aan appellant vanaf het tweede kwartaal van 2020 kinderbijslag uit te betalen. Nu [naam kind] op de peildatum van het tweede kwartaal van 2020 behoorde tot het huishouden van zowel appellant als de derde-partij maar er geen sprake was van coouderschap in de zin van artikel 10 van het BUK, is voor de vraag aan wie de kinderbijslag wordt betaald bepalend wie de hoogste bijdrage in het onderhoud van dit kind levert. Hoewel dat op zijn weg had gelegen en daarvoor voldoende gelegenheid is geweest, heeft appellant geen stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat hij ten tijde van belang een hogere bijdrage leverde in het onderhoud van [naam kind] dan de derde-partij. De Svb heeft dan ook op goede gronden de kinderbijslag voor [naam kind] over het tweede kwartaal van 2020, net als voordien, uitbetaald aan de derde-partij, en terecht de aanvraag van appellant afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl