CRvB 31 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:796
Het geschil spitst zich toe op de inschaling van appellant bij benoeming tot officier van justitie (na afronden opleiding) op 1 juni 2019. Appellant wil per die datum een inschaling in trede 0, zijnde de naast hogere trede boven trede i van salariscategorie 9 Rechterlijke Macht. Niet in geschil is dat de inschaling van appellant heeft plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 14, eerste lid, van de Wrra. Appellant heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Op basis van de beschikbare gegevens is het voor de Raad niet komen vast te staan dat W het door appellant genoemde bedrag heeft toegezegd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van de standaard inschalingsregels. Naar het oordeel van de Raad heeft de minister in redelijkheid tot het besluit kunnen komen dat in de maatschappelijke, niet-juridische ervaring van appellant onvoldoende aanleiding wordt gezien om gebruik te maken van de bevoegdheid om af te wijken van de standaardinschaling. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
De uitspraak op rechtspraak.nl