CRvB 30 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:764
In geschil is of het Uwv aan appellant op goede gronden een zogenoemde administratieve loonsanctie heeft opgelegd. Vaststaat dat betrokkene bij de WIA-aanvraag geen re-integratieverslag, als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Wet WIA, heeft gevoegd. Niet in geschil is dat appellant ook geen (volledig) re-integratieverslag heeft opgesteld en de onder 1.1 genoemde documenten niet heeft overgelegd. Gelet op 4.1 en het bepaalde in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA moet de vraag beantwoord worden of appellant een deugdelijke grond had om geen (volledig) re-integratieverslag op te stellen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat gelet op de informatie van de bedrijfsarts het als vaststaand feit moet worden aangenomen dat betrokkene zich per 22 augustus 2016 heeft ziekgemeld. Dat appellant van dit feit naar eigen zeggen pas veel later op de hoogte is geraakt en wat betreft de administratie van zijn onderneming heeft vertrouwd op betrokkene, komt voor rekening en risico van appellant als werkgever. Zoals de rechtbank heeft overwogen kan het Uwv pas dan beoordelen of de re-integratie-inspanningen, gelet op de mogelijkheden van betrokkene, voldoende zijn geweest. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl