CRvB 11 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:661

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3259) is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is of elk feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat. Appellant heeft aangevoerd dat de aanwezige feedbackformulieren het oordeel “zwak” op het kritische beoordelingscriterium 21 niet kunnen dragen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft verder aangevoerd dat het oordeel “zwak” op het kritische beoordelingscriterium 59 te summier is onderbouwd. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft nog gewezen op de in zijn ogen gebrekkige opleidingssituatie waarvan naar zijn mening met name tegen het einde van de opleidingsperiode sprake is geweest. Wat hij in dit verband heeft aangevoerd kan evenmin leiden tot het oordeel dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daar komt bij dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3858), een rechter in opleiding in staat moet worden geacht om zich ook onder moeilijke omstandigheden te ontwikkelen tot het niveau van een beginnende rechter. Dit laatste betekent ook dat, voor zover het niet verlengen van de opleiding kan worden geacht deel uit te maken van het bestreden besluit, dit besluit ook in zoverre stand kan houden. Het hiervoor overwogene betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken