CRvB 10 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:634
Appellante heeft het griffierecht niet binnen de termijn betaald. Voor zover appellante heeft willen betogen dat de hoogte van het griffierecht in haar geval de toegang tot de rechter belemmert en dat dit strijd oplevert met artikel 6 van het EVRM, slaagt dit betoog niet. Appellante heeft binnen de gestelde termijn niet aannemelijk gemaakt dat zij in onmacht verkeerde om het griffierecht tijdig te voldoen. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het op grond van artikel 8:109, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geheven griffierecht appellante wezenlijk heeft belemmerd in haar recht op toegang tot de rechter. Dat appellante om haar moverende redenen heeft besloten geen beroep te willen doen op betalingsonmacht, maakt dat niet anders. Ook in dat geval is appellante griffierecht verschuldigd en had zij het griffierecht binnen de gestelde termijn moeten voldoen. De Raad is van oordeel dat appellante geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
De uitspraak op rechtspraak.nl