CRvB 24 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:453
Wat appellant in de hoger beroepen heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend, en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in beide aangevallen uitspraken. De overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Voor zover appellant in hoger beroep heeft betoogd dat een andere berekening moet worden gehanteerd teneinde te komen tot een juiste maatmanomvang, maatmanloon en maatmaninkomen, wordt hij daarin niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft reeds in het rapport van 7 maart 2018, dat is opgesteld in de procedure vermeld onder 1.2., toegelicht hoe de maatmanomvang en het maatmanloon zijn berekend. Het oordeel van de rechtbank dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan worden gevolgd in de gemaakte berekeningen van het maatmaninkomen en het sv-loon als weergegeven in de rapporten van 29 augustus 2018, 20 mei 2020 en 21 juli 2020, is juist. Appellant heeft, net als in beroep, ook in hoger beroep de berekeningen van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van de arbeidsongeschiktheidsklassen waarin appellant per periode is ingedeeld niet betwist. Het Uwv heeft dan ook de WAO-uitkering van appellant over alle in geschil zijnde perioden op de juiste wijze definitief berekend. Hieruit volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl