CRvB 17 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:320

Het thans bestreden besluit waarbij de eerder vastgestelde toekomstige aanspraken van appellant als gevolg van de regeling SBF 2015 zijn gewijzigd, is een uitvloeisel van het arbeidsvoorwaardenakkoord van 26 juni 2014 en is tot stand gekomen conform artikel 105, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Anders dan appellant heeft aangevoerd is geen sprake van strijd met het rechtszekerheids- en/of het vertrouwensbeginsel. Onder verwijzing naar de in 4.1 genoemde rechtspraak van de Raad kon appellant er niet zonder meer op vertrouwen dat een wijziging van de betreffende regelgeving niet van invloed zou zijn op de bij het besluit van 1 februari 2009 vastgestelde toekomstige aanspraken. Op basis van de regeling SBF 2015 is de vermenigvuldigingsfactor gewijzigd van 2 naar 1. Onder de hier besproken omstandigheden is de minister niet gehouden het nadeel van de wijziging van de vermenigvuldigingsfactor te compenseren, nu dat nadeel het gevolg is van de gewijzigde regelgeving die van invloed mag zijn op eerder vastgestelde, toekomstige, aanspraken. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken