CRvB 28 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:265

Geen sprake van plichtsverzuim. De staatssecretaris was niet bevoegd om een disciplinaire straf op te leggen aan appellant. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit van 20 mei 2019 dat ziet op het plichtsverzuim vernietigen en het primaire besluit van 31 mei 2018 herroepen. Thans kan niet worden vastgesteld dat de staatssecretaris terecht heeft aangenomen dat appellant slechts recht heeft op een vergoeding voor woon-werkverkeer op basis van drie werkdagen per week en bijgevolg op juiste gronden heeft kunnen besluiten tot terugvordering van een bedrag van € 3.732,61 vanwege ten onrechte gedeclareerde vergoedingen. De Raad zal daarom ook het beroep tegen het bestreden besluit van 20 mei 2019 dat ziet op de terugvordering gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en de staatssecretaris opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen