CRvB 22 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2094
Aanvullende tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer op basis van de feitelijke plaats van tewerkstelling ten onrechte afgewezen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling uitgegaan moet worden van de feitelijke plaats van tewerkstelling en dat [plaats 3] als (feitelijke) plaats van tewerkstelling moet worden aangemerkt. Betrokkene is geruime tijd, immers vanaf 2005 tot 1 november 2017, werkzaam geweest in [plaats 3]. Weliswaar heeft betrokkene niet op grond van een uitdrukkelijke opdracht van de korpschef in [plaats 3] gewerkt, maar de korpschef heeft dit wel geruime tijd toegestaan. Aanvankelijk was dit op grond van een ‘herenakkoord’, een mondelinge afspraak met de toenmalige districtschef van betrokkene dat hij zijn werkzaamheden vanuit het politiebureau in [plaats 3] mocht blijven voortzetten. Latere leidinggevenden hebben deze situatie in stand gelaten en betrokkene niet naar zijn bij besluit aangewezen plaats van tewerkstelling gestuurd. De rechtbank heeft dan ook terecht [plaats 3] als plaats van tewerkstelling aangemerkt.
De uitspraak op rechtspraak.nl