CRvB 6 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2020
Bijstand terecht teruggevorderd in verband met naderhand verkregen vermogen in de vorm van een erfenis. Appellante heeft op 9 juni 2020 daarover de beschikking gekregen in de vorm van het geldbedrag van € 32.222,91. Op dat moment kon appellante dus feitelijk beschikken over het bedrag waarop zij vanaf het overlijden van haar moeder aanspraak had. Het college heeft het door appellante ontvangen bedrag terecht heeft beschouwd als naderhand verkregen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW en was dus bevoegd om de aan appellante verleende bijstand terug te vorderen. Dat het voor appellante gunstiger zou zijn als de naderhand verkregen middelen zouden worden aangemerkt als actueel verkregen vermogen leidt niet tot een ander oordeel.
De uitspraak op rechtspraak.nl