CRvB 19 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:191
In hoger beroep is uitsluitend in geschil of het Uwv de aanvraag van appellant om een doelgroepverklaring terecht heeft afgewezen omdat appellant deze niet binnen drie maanden na aanvang van zijn dienstbetrekking heeft aangevraagd. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat niet gebleken is dat het Uwv op enig moment heeft gesteld dat de verklaring om 00:00 uur zou zijn ontvangen. Het Uwv heeft slechts gesteld dat het besluit uiterlijk 21 april 2019 moest zijn ontvangen en het pas op 29 april 2019 is ontvangen. Zoals ter zitting is besproken, blijkt uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2015/16, 34 528, nr. 3, p. 31-31) immers dat achtergrond van de drie maandentermijn is dat bij een reeds langere tijd lopende dienstbetrekking waarvoor pas na meer dan drie maanden een doelgroepverklaring wordt aangevraagd, aannemelijk is dat deze dienstbetrekking ook zou zijn aangegaan zonder de toekenning van een loonkostenvoordeel. Een loonkostenvoordeel draagt dan niet bij aan de doelstelling om betrokkene gemakkelijker aan het werk te helpen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl