CRvB 13 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:173
Tussen partijen is in geschil of het Uwv op goede gronden heeft besloten het over het aangiftetijdvak mei 2019 door het PFZW uitbetaalde bedrag aan vakantiebijslag volledig in mindering te brengen op de WW-uitkering van appellant over die maand. Niet in geschil is dat in het geval van appellant sprake is van een opbouw van vakantiebijslag, zodat het Uwv bevoegd was om bij de korting van het ouderdomspensioen op de WW-uitkering uit te gaan van het in het aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag in plaats van het in dat aangiftetijdvak uitbetaalde bedrag aan vakantiebijslag. Uit de door het Uwv genoemde uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:904, blijkt dat het Uwv bij WW-uitkeringen geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid vanwege het belang om een WW-uitkering, die doorgaans van beperkte duur is en veelal gepaard gaat met inkomstenverrekeningen, zo spoedig mogelijk vast te stellen. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv met deze vaste gedragslijn de grenzen van de redelijke wetstoepassing niet te buiten gaat. Hardheidsclausule. In het geval van appellant is echter sprake van onevenredige gevolgen. Nu appellant alleen aanspraak had op een WW-uitkering over de maand mei 2019, is het onevenredig om het vakantiegeld dat appellant over een vol jaar heeft opgebouwd volledig in mindering te brengen op de WW-uitkering over deze maand. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het Uwv wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.
De uitspraak op rechtspraak.nl