CRvB 12 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1602
Afwijzing TOZO-aanvraag. Studiefinanciering is voorliggende voorziening. Beroep op discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR en het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 Awb slaagt niet. Studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 is aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de betrokkene toereikend en passend te zijn. Dat die studiefinanciering (geheel) in de vorm van een rentedragende lening wordt verstrekt, maakt dit niet anders. Dit betekent dat het college terecht heeft geconcludeerd dat artikel 15 van de PW in de weg stond aan verlening van algemene bijstand op grond van de Tozo aan appellant. Voor zover met betrekking tot het door appellant bedoelde onderscheid tussen student-ondernemers en andere ondernemers al sprake zou zijn van onderscheid tussen gelijke gevallen, is de wetgever met het door artikel 15 van de PW ontstane onderscheid binnen de door hem toekomende beoordelingsmarge gebleven. Gelet op het verplichtende karakter van artikel 15 van de PW bestaat in beginsel geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel
De uitspraak op rechtspraak.nl