CRvB 2 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1237
De toepasselijke regelgeving. Appellanten hebben aangevoerd dat de Regeling (nieuw) op hen niet van toepassing is. Dit betoog slaagt niet. Appellanten voldoen of zullen, als zij de leeftijd van 65 jaar bereiken, voldoen aan de voorwaarden van artikel 13b, eerste lid, van de Regeling (nieuw). De Regeling (nieuw) is dan ook op hen van toepassing. Het moment waarop de ontslaguitkering eindigt. Appellanten zijn van mening dat hun ontslaguitkering dient door te lopen tot aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Zij hebben daartoe allereerst aangevoerd dat het de bedoeling van de wetgever is dat de ontslaguitkering eindigt op het moment dat een vlieger de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellanten menen is noch door de regelgeving, noch in andere stukken de verwachting gewekt dat hun ontslaguitkering zou doorlopen tot aan hun AOW-gerechtigde leeftijd. De Raad deelt dan ook niet de opvatting van appellanten dat de korpschef uit een oogpunt van goed werkgeverschap gehouden is om deze door hen gestelde verwachting na te komen. Verboden onderscheid naar leeftijd?. Appellanten hebben verder aangevoerd dat de korpschef een verboden onderscheid op grond van leeftijd maakt door de ontslaguitkering van appellanten te beëindigen wanneer zij de leeftijd van 65 jaar bereiken. Ook dit betoog slaagt niet. Voor alle vliegers, ongeacht hun leeftijd, geldt dus dat zij aansluitend op hun functioneel leeftijdsontslag gedurende maximaal tien jaar recht hebben op een ontslaguitkering. Ter ondersteuning van hun betoog hebben appellanten verwezen naar diverse uitspraken waarin de Raad tot het oordeel komt dat het hanteren van een leeftijdsgrens van 65 jaar voor beëindiging van een uitkering een ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd oplevert. Deze uitspraken kunnen appellanten niet baten. Conclusie is dat de korpschef niet gehouden was om de ontslaguitkering van appellanten te laten doorlopen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Uit het besprokene ter zitting is de Raad duidelijk geworden dat de (toekomstige) inkomenspositie van appellanten, door een veelheid aan oorzaken, lager uitvalt dan verwacht. Dat gegeven, hoe teleurstellend ook voor appellanten, maakt echter niet dat de korpschef de aanspraken van appellanten onjuist heeft vastgesteld. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl