CRvB 20 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:121

Onpartijdigheid van de rechter. De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen dan de wrakingskamer van de rechtbank. Er is geen enkele aanwijzing dat de behandelend rechter van de rechtbank vooringenomen was. Schorsing van de kinderbijslag. De Raad is van oordeel dat de resultaten van het in 1.2 genoemde onderzoek, waaronder de mededeling van appellant dat zijn dochter en echtgenote sinds mei 2019 niet meer bij hem woonden, voor de Svb een duidelijke aanwijzing vormden dat appellant vanaf 1 juli 2019 geen recht meer had op kinderbijslag voor [naam dochter]. De Svb heeft dan ook terecht de uitbetaling van deze kinderbijslag aan appellant geschorst. Beëindiging van de kinderbijslag. De Svb heeft terecht geconcludeerd dat [naam dochter] op de peildatum van het derde kwartaal van 2019 niet meer tot het huishouden van appellant behoorde, maar tot het huishouden van de moeder, en om die reden de kinderbijslag van appellant met ingang van dat kwartaal heeft beëindigd. Dat appellant mogelijk ook na de beëindiging van het recht op kinderbijslag nog kosten voor zijn dochter draagt, leidt niet tot een ander oordeel. Conclusie. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken