CRvB 19 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1200

Uit de hiervoor genoemde bepalingen volgt dat het Uwv het dagloon in overeenstemming met de ZW en het Dagloonbesluit heeft vastgesteld door uit te gaan van de dagloondagen in de periode van 16 april 2018 (de eerste dag van het dienstverband bij [UB 2] ) tot en met 9 september 2018, en uitsluitend het bij [UB 2] genoten inkomen en de twee korte ZW-uitkeringen in aanmerking te nemen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 12f, eerste lid van het Dagloonbesluit niet van toepassing is. Niet gebleken is dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of onvoldoende is gemotiveerd. Het Dagloonbesluit biedt niet de mogelijkheid om ten aanzien van appellant een ander dagloon vast te stellen. Het beroep op artikel 3:4, tweede lid, van de Awb slaagt niet. Op grond van het eerste lid van dat artikel wordt de belangenafweging door een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit beperkt voor zover dit uit een wettelijk voorschrift voortvloeit. Dat is gebeurd bij de hiervoor genoemde bepalingen uit het Dagloonbesluit. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken