CRvB 18 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1142
20/1738 WW (rechtbank 18/299). Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de terugvordering van de WW-uitkering en de toeslag is een herhaling van de gronden in bezwaar en beroep. Het oordeel van de rechtbank wordt geheel onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. De door appellant gestelde, maar niet nader onderbouwde, omstandigheid dat hij in een ongunstigere inkomenspositie is geraakt dan hij meende te mogen verwachten is geen omstandigheid die het Uwv ertoe had moeten brengen om van terugvordering van de WW-uitkering en de toeslag af te zien. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onaanvaardbare sociale of financiële consequenties als gevolg van de terugvordering van de WW-uitkering en de toeslag. Deze overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep in de zaak 20/1738 niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. 20/1739 WAO (rechtbank 18/1498). De door appellant aangevoerde gronden zijn in essentie een herhaling van de gronden die appellant reeds in beroep heeft aangevoerd. De overwegingen en het oordeel van de rechtbank worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 1 juli 2019 niet-ontvankelijk is, omdat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling. Appellant was voor wat betreft de besluitvorming in deze zaak immers al geheel in het gelijk gesteld. Het Uwv heeft op 1 augustus 2018 alsnog een besluit genomen en heeft op 8 augustus 2018 een vergoeding aan appellant toegekend in verband met het nemen van een te late beslissing. Nu het Uwv het door appellant verzochte besluit heeft genomen, had appellant geen procesbelang meer. Daarbij wordt aangetekend dat appellant in hoger beroep niet nader heeft gemotiveerd dat hij nog belang heeft bij het gegrond verklaren van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Deze overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep in de zaak 20/1739 niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. 20/1740 WAO (rechtbank 19/2978). De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Hieraan wordt toegevoegd dat appellant in hoger beroep wederom geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd met betrekking tot de gestelde onjuistheid van de wijzigingen en arbeidsongeschiktheidspercentages. Deze overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep in de zaak 20/1740 niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. 20/1741 WW (rechtbank 19/2326). De door appellant aangevoerde gronden met betrekking tot de terugvordering van de WW-uitkering en de brutering van de WW-vordering zijn een herhaling van de gronden die appellant reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt nog toegevoegd dat appellant in hoger beroep geen nieuwe gronden heeft aangevoerd voor wat betreft het bruteren van de WW-vordering en wederom geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen de terugvordering van de WW-uitkering. Deze overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep in de zaak 20/1741 niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is In de zaak 20/1738 met bijna elf maanden overschreden zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. In de zaak 20/1739 is minder dan vier jaar verstreken. Van een overschrijding van de redelijke termijn is daarom geen sprake. In de zaak 20/1740 is minder dan vier jaar verstreken. Van een overschrijding van de redelijke termijn is daarom geen sprake. In de zaak 20/1741 is minder dan vier jaar verstreken. Van een overschrijding van de redelijke termijn is daarom geen sprake. Aanleiding bestaat om het Uwv en de Staat elk voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl