CRvB 18 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1110
De Raad zal eerst beoordelen of de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Uit wat is overwogen in 4.1.2 volgt dat in de situatie dat sprake is van een periode die al is verstreken – anders dan de rechtbank heeft overwogen – de opstelling van betrokkene en appellanten ten opzichte van het verantwoordelijke bestuursorgaan niet het criterium is waaraan getoetst moet worden ter beantwoording van de vraag of sprake is van procesbelang. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellanten wel procesbelang hebben. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak kan om deze redenen niet in stand blijven en komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen. Conclusie. Wat hiervoor is overwogen betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet in het overlijden van betrokkene enkele maanden na het bestreden besluit én de door partijen ter zitting uitgesproken wens de zaak met deze uitspraak definitief af te ronden aanleiding om zelf in de zaak te voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb door te bepalen dat betrokkene voor de periode van 24 november 2015 tot de datum van overlijden, 1 november 2016, aangewezen was op de volgende AWBZ-zorg: - begeleiding individueel, klasse 2 (2 tot 3,9 uur per week); - persoonlijke verzorging, klasse 8 (20 tot 24,9 uur per week) met 9 additionele uren; - verpleging, klasse 6 (13 tot 15,9 uur per week). Omdat appellanten op 13 maart 2019 de dwangsom van € 1.260,- hebben ontvangen is CIZ hierover wettelijke rente verschuldigd van 14 juli 2016 tot 13 maart 2019, vermeerderd met wettelijke rente over de verbeurde wettelijke rente. Over het bedrag van de niet tijdig betaalde wettelijke rente is CIZ gehouden wettelijke rente te voldoen tot de dag van de algehele voldoening. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt hier tweeënhalf jaar, zodat de vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn in beroep en hoger beroep wordt vastgesteld op € 2.500,-. De rechtbank heeft de Staat al veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.500,-. De Raad zal het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade daarom toewijzen tot een aanvullend bedrag van € 1.000,-. Aanleiding bestaat om CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellanten.
De uitspraak op rechtspraak.nl