CRvB 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1102
Tussen partijen is in geschil of de Svb op goede gronden aan de ontheffing van de verzekeringsplicht terugwerkende kracht heeft onthouden. Niet in geschil is dat de aanvraag om ontheffing niet binnen één jaar na 1 januari 2016 is ingediend, zodat ingevolge artikel 22, tweede lid, van KB 746 de ingangsdatum in beginsel niet op een eerdere dan de aanvraagdatum kan worden bepaald. In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in dit geval niet kan worden gezegd dat de toepassing van artikel 22, tweede lid, van KB 746 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat in zijn geval toepassing van artikel 22, tweede lid, van KB 746 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. De stelling van appellant dat de vertraging bij de aanvraag moet worden toegeschreven aan de Svb dient te worden verworpen. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl