CRvB 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1100
Anders dan appellant en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij als bewoner van een dienstwoning gehouden was servicekosten te betalen. De plicht daartoe volgt uit de regelgeving. Van de zijde van het ministerie van Buitenlandse Zaken is bij bericht van 18 april 2017 aan de betrokken ambtenaren kenbaar gemaakt dat de Regeling in het vervolg correct zou worden uitgevoerd en dat de servicekosten vanaf 1 mei 2017 (alsnog) bij de ambtenaar in rekening zouden worden gebracht. Bij de berichten van 10 december 2018 en 1 maart 2019 is dat nog eens herhaald. Dat naar zeggen van appellant tijdens voorlichtingsbijeenkomsten in 2015 niets is gezegd over de verschuldigdheid van servicekosten maakt, wat daarvan verder ook zij, niet dat die verschuldigdheid van tafel is. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl