CRvB 13 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1095

In deze procedure gaat het over de aflossingscapaciteit van appellant en de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding. De Raad moet er in deze procedure van uit gaan dat de herziening van het recht op kinderbijslag en de terugvordering van de ten onrechte ontvangen kinderbijslag rechtmatig zijn. Appellant heeft ter zitting van de Raad zijn verzoek om aanhouding van de zaak herhaald. Aan dat verzoek heeft appellant ten grondslag gelegd dat hij een beslissing op bezwaar gericht aan zijn ex-echtgenote in wil brengen ter onderbouwing van zijn standpunt dat de herziening en de terugvordering tot de verkeerde persoon zijn gericht en dat hij wegens armklachten niet goed in staat is ter zitting op te treden. Zoals hierboven al is overwogen, dient het standpunt van appellant dat het terugvorderingsbesluit tot de verkeerde persoon is gericht in deze procedure buiten beschouwing te blijven. Er bestaat dan ook geen aanleiding om appellant in de gelegenheid te stellen een stuk in te brengen dat dat standpunt onderbouwt. Voorts heeft appellant aan de zitting deelgenomen en heeft hij van de gelegenheid gebruik gemaakt om naar voren te brengen wat hij nog naar voren wilde brengen, waarbij niet gebleken is van hinder vanwege ziekte. De Raad wijst het verzoek om de zaak aan te houden dan ook af. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzoek om van verdere terugvordering af te zien terecht door de Svb is afgewezen. De Svb heeft met juistheid geoordeeld dat appellant niet voldoet aan de ter zake geldende voorwaarden. Appellant heeft niet vijftien jaar aaneengesloten geen betalingen verricht – hij betaalde immers € 726,72 – terwijl hij bovendien in 2019, ten tijde van de besluitvorming van de Svb, aflossingscapaciteit had en ook afloste. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken