CRvB 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068

Het Uwv heeft het gemiddelde inkomen als bedoeld in artikel 3:3, dertiende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) onjuist vastgesteld. De gratificatie dient te worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. De gratificatie is namelijk een onmiddellijke tegenprestatie voor de door appellant in de jaren daarvoor voor [stichting 3] verrichte arbeid. Het feit dat in de cao is bepaald dat de gratificatie bij het einde van het dienstverband wordt uitbetaald acht de Raad hier niet van betekenis voor de aard van de beloning. Deze bepaling gaat uitsluitend over het tijdstip waarop de beloning wordt uitgekeerd. De gratificatie kan ook niet worden gelijkgesteld met een ontslagvergoeding. Schikkingsvoorstel CAO. De goede procesorde staat er niet aan in de weg deze beroepsgrond in hoger beroep te betrekken. Vaststaat dat het bedrag van € 404,54 in verband met het ‘Schikkingsvoorstel CAO’ geen betrekking heeft op arbeid verricht in de maanden december 2017 tot en met februari 2018. Het is een financiële tegemoetkoming, die is uitbetaald aan appellant om geschillen en rechtszaken over onregelmatigheidstoeslag of compensatie van mogelijk ten onrechte niet uitgekeerde onregelmatigheidstoeslag over vakantie-uren in de periode van 1 januari 2012 tot 1 januari 2015 te voorkomen. Verder staat vast dat het bedrag is uitbetaald aan appellant in april 2018, dus na het einde van de dienstbetrekking met [stichting 3] per 1 maart 2018. Uitsluitend vanwege het feit dat [stichting 3] deze eenmalige betaling alsnog met terugwerkende kracht heeft geboekt in de laatste maand van zijn dienstverband, te weten februari 2018, wordt appellant in verband met dit bedrag blijvend gekort op zijn WIA-uitkering. Hoewel artikel 3:3, dertiende lid, van het AIB is bedoeld om schommelingen in het inkomen te ondervangen door uit te gaan van een gemiddeld inkomen over drie maanden, leidt het meenemen van het bedrag in verband met het ‘Schikkingsvoorstel CAO’ bij de vaststelling van het gemiddelde inkomen op grond van artikel 4:1, derde lid, van het AIB, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, elfde lid, van het AIB.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken