CRvB 10 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1066

Dagloon van de bovenwettelijke (BW) uitkering op grond van de Regeling werkloosheidsuitkering onderwijspersoneel primair onderwijs op goede gronden vastgesteld op € 240,59. Ter zitting is door appellant erkend dat voor de bepaling van de hoogte van de BW-uitkering niet van belang is wat feitelijk eerder aan suppletie is betaald, maar dat moet worden vastgesteld waar appellant in de periode voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid recht op had. Ter zitting heeft Stichting toegelicht dat het feitelijk uitbetaalde bedrag aan loonsuppletie – ook na de in mei 2019 toegepaste correctie – naar alle waarschijnlijkheid nog steeds te hoog is vastgesteld en dat dit verklaart waarom de som van het WW-dagloon (€ 209,73) en de na correctie vastgestelde loonsuppletie (€ 36,06) per 2 februari 2019 op een hoger bedrag uitkomt dan het geindexeerde dagloon dat appellant tot 1 september 2013 verdiende in [functie 1] van de Stichting. Appellant heeft weliswaar betwist dat de indexatie juist is, maar heeft niet toegelicht om welke reden het voor hem berekende bedrag onjuist is. Er wordt daarom van uitgegaan dat het geïndexeerde dagloon dat appellant per 1 september 2013 verdiende in [functie1] van de Stichting per 1 februari 2019 € 240,59 bedraagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen