CRvB 28 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:978
Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv er sinds mei 2017 van op de hoogte was dat zij niet langer beschikte over een vaste woon- of verblijfplaats. Geoordeeld wordt dat dit niet wegneemt dat het Uwv dient te beschikken over het juiste verblijfadres van appellante omdat deze informatie van belang is voor het vaststellen van het recht op uitkering. Voor zover appellante met haar beroepsgrond heeft bedoeld dat zij in mei 2017 duidelijkheid heeft verschaft en daarmee naar haar mening de op haar rustende inlichtingenverplichting is nagekomen, wordt geoordeeld dat het Uwv steeds dient te beschikken over een adres waarop appellante is te bereiken maar ook over het juiste verblijfadres. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat over het verblijfadres geen duidelijkheid bestond en dat een gegrond vermoeden bestond dat wegens verblijf in het buitenland geen aanspraak meer bestond op een Wajong-uitkering. Het Uwv heeft daarom terecht de uitbetaling van de Wajong-uitkering op 1 september 2017 geschorst. De beroepsgrond dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 2:13, derde lid, van de Wajong slaagt niet, reeds omdat het Uwv de Wajong-uitkering niet heeft beëindigd maar heeft geschorst en vanaf 27 januari 2018, na terugkeer van appellante uit Suriname, weer tot uitbetaling heeft laten komen. Eerst in hoger beroep is het bestreden besluit voorzien van een juiste motivering. Dit geeft echter geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.
De uitspraak op rechtspraak.nl