CRvB 13 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:834

Het niet opleggen van een loonsanctie bij besluit van 9 augustus 2016. De gronden waarop het hoger beroep berust vormen een herhaling van wat appellant eerder in de procedure heeft aangevoerd. De Raad verwijst daarom naar de overweging onder 6.4 van de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank heeft gemotiveerd waarom de gronden van appellant niet slagen. De Raad onderschrijft deze overwegingen volledig. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat er bij werkgeefster (ander) passend werk voor handen was waarvoor werkgeefster hem in aanmerking had moeten brengen. Op 21 juli 2015 heeft de registerarbeidsdeskundige een aanvullend onderzoek verricht. In een rapport van 27 augustus 2015 is nogmaals een overzicht gegeven van alle functies die bij werkgeefster voorhanden zijn. Volgens de registerarbeidsdeskundige zijn de functies niet passend voor appellant wegens overschrijding van zijn psychische belastbaarheid en/of het feit dat in de functies met name in de avond en nacht gewerkt moet worden, dan wel dat appellant niet voldoet aan de gestelde specifieke opleidingseisen. De Raad onderschrijft verder de nadere toelichting van het Uwv, zoals weergegeven in de brief van 25 februari 2021. Het hoger beroep van appellant voor wat betreft het oordeel van de rechtbank over de beslissing van het Uwv om geen loonsanctie aan werkgeefster op te leggen, slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking. Over de toekenning van de WIA-uitkering. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd voor wat betreft de intrekking van de WIA-uitkering per 2 januari 2018. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond heeft verklaard, in zoverre niet in stand kan blijven. Dat de psychische klachten tot meer beperkingen hadden moeten leiden kan uit de door appellant ingebrachte en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen medische stukken niet worden opgemaakt. De stelling van appellant dat ten onrechte geen zwaardere urenbeperking is aangenomen vanwege zijn extreme vermoeidheid (CVS) wordt evenmin gevolgd. Dat appellant inmiddels met ingang van 2 januari 2018 in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering doet aan het voorgaande niet af. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 6 juli 2017, wordt geoordeeld dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellant. Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn standpunt dat het maatmanloon onjuist is vastgesteld, omdat geen rekening is gehouden met de bovenwettelijke uitkering die hij in de periode van oktober 2012 tot en met september 2013 ontving van zijn werkgeefster. Schadevergoeding. De redelijke termijn is dan ook met bijna achttien maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel gelegen in de rechterlijke fase. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Verder is er aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken