CRvB 8 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:785
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was. De overwegingen van de rechtbank die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en de conclusie dat appellante in staat is om haar eigen werk als algemeen medewerker inpak voor 28,74 uur per week te verrichten. Uitgaande van de hiervoor omschreven belasting in het eigen werk, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellante ondanks de beperkingen in haar mentale en fysieke belastbaarheid op de datum in geding in staat moet worden geacht om dit werk te verrichten. Dat hij daarbij wat betreft de psychische problematiek uit is gegaan van een andere diagnose dan is vermeld in de brieven van de behandelend arts, biedt onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid van zijn conclusie te twijfelen. Dat de beperkingen van appellante in de WSW-indicaties anders zijn omschreven, leidt niet tot een ander oordeel. Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de beoordeling door het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst wordt het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl