CRvB 25 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:777

In hoger beroep heeft appellante betoogd dat als eerste arbeidsongeschiktheidsdag primair moet gelden 18 oktober 2004 (de dag van de eerste ziekmelding) en subsidiair 5 oktober 2007 (de eerste dag van haar arbeidsongeschiktheid als zelfstandige volgens haar Berufsunfähigkeitsversicherung). Het Uwv heeft de door appellante in hoger beroep overgelegde stukken laten beoordelen door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Die is in zijn rapport van 24 januari 2018 van mening dat er onvoldoende reden is om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts arbitrair vastgestelde datum 1 juli 2008 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Voor de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante sluit de Raad zich aan bij de motivering in dit rapport van 24 januari 2018. Ook overigens ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat appellante veel eerder dan vanaf 1 juli 2008 gedurende 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. De Raad onderkent dat de klachten van appellante in 2004 zijn begonnen. Voor zover uit het dossier kan worden afgeleid heeft appellante zich echter pas vanaf eind 2008 onder behandeling gesteld van een aantal medisch specialisten. De rechtbank heeft terecht opgemerkt dat eventuele twijfel voor risico van appellante moet blijven omdat zij zich niet eerder dan in 2009 heeft ziekgemeld. In het refertejaar heeft appellante niet in dienstbetrekking gewerkt en ook geen loon van haar werkgever ontvangen. Wel had zij Elternzeit opgenomen. De Raad volgt appellante niet in de stelling dat het Elterngeld moet worden gelijkgesteld met loon in de zin van artikel 12 van de Wet WIA. Een dergelijke gelijkstelling is niet geregeld in artikel 5 van Vo 883/2004. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:411. Bovendien zou een dergelijke gelijkstelling in strijd zijn met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat Vo 883/2004 niet strekt tot harmonisatie, maar slechts tot coördinatie van de wettelijke socialezekerheidsstelsels van de lidstaten. De ontslagvergoeding van december 2007 is inkomen uit een vroegere dienstbetrekking. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante geen aanspraak kan maken op toepassing van artikel 4 van het Besluit. Dat appellante geen beroep kan doen op artikel 4, derde lid, van het Besluit, is niet discriminerend en niet in strijd met het vrije verkeer van werknemers. Het beroep op de Raamovereenkomst wordt evenzeer verworpen. Alles wat is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante heeft vastgesteld op nihil. De aangevallen uitspraak moet dan ook, met een verbetering van de gronden worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken