CRvB 10 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:539
De brief betreffende hoorzitting is niet-aangetekend verzonden. Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze brief is verzonden. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat appellant afstand heeft gedaan van het recht om gehoord te worden tijdens de bezwaarprocedure. Appellant is op verzoek van het Uwv onderzocht in Bosnië-Herzegovina. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld is het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden doordat appellant niet opnieuw voorafgaande aan het bestreden besluit medisch is onderzocht. Ook overigens is niet gebleken dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig zou zijn geweest. De rechtbank heeft het juiste toetsingskader gehanteerd en terecht vastgesteld dat de door appellant bij zijn verzoek ingediende informatie geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden bevat in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De door appellant ingediende (medische) informatie ziet op de periode 2012 tot en met 2016. Er bestond dan ook geen aanleiding voor het Uwv om het besluit van 23 maart 2005 te herzien. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. Het Uwv en de rechtbank zijn terecht uitgegaan van de datum 24 mei 2005 bij de beoordeling of sprake is van een toename van medische beperkingen en of die beperkingen voortvloeien uit dezelfde oorzaken die een rol speelden bij de herziening van de WAO-uitkering. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De beperkingen van appellant zijn correct vastgesteld in de FML die is aangepast door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 20 februari 2017. Uitgaande van de juistheid van de FML wordt met de rechtbank geoordeeld dat de voorbeeldfuncties in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 februari 2017, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren, in medisch opzicht passend zijn voor appellant. Appellant is dan ook op goede gronden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Uit de overwegingen volgt dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft dat door de rechtbank niet is onderkend. Nu het bestreden besluit inhoudelijk juist is, bestaat aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden door dit gebrek niet zijn benadeeld. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, die hij in verband met het beroep tegen het bestreden besluit en in hoger beroep heeft gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:894
- CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115
- CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872
- CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1
- CRvB 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2403
- CRvB 6 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3792
- CRvB 6 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA0866
- CRvB 28 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3432